master
October 1st, 2008jagend op het voorbije, wat bevroren is met troost,
een zonnig aangezicht toegrenzend naar de voorste
kamer, van mijn hart,
desperaat op mijn klaaglijke troon, raken hoofden,
voor het stelstel van gevoelens,
de grond, tot in de diepte van het mededogen een barst
springt in mijn aderen een staak, het uitgehongerde
zelf
dat zonder aarzeling het duister van de nacht vult met
weten
zonder binnenste , een holle naald in mijn bloed, die
veelogig
grijnst naar de invallende duisternis die mij naar
buiten keert
voor mijn onbemiddelde bruid, spaar ik het rose gom
dat ik ziedend kauw, naar het punt van onzichtbaar
gewaande planeten,
die mijn dode naspeuringen het wegen van pijn,
ontvouwen,
voor de ziel een wond, bergketen van levens aan
strakblauwe lucht
mijn toekomst is een vallend geweld, van ongewilde
schoonheid,
de vreugde van mijn stem is de baarmoeder van de dood,
die dwarsligger
verbreekt de natuurlijke weg als mogelijkheid van
zichzelf,
een noodlijdende bidt om de zonovergoten dag, wil als
toevluchtsoord,
waar in lege huizen licht is, voor het volmaakte kind,
elke engel

