master

October 1st, 2008

jagend op het voorbije, wat bevroren is met troost,
een zonnig aangezicht toegrenzend naar de voorste
kamer, van mijn hart,
desperaat op mijn klaaglijke troon, raken hoofden,
voor het stelstel van gevoelens,
de grond, tot in de diepte van het mededogen een barst

springt in mijn aderen een staak, het uitgehongerde
zelf
dat zonder aarzeling het duister van de nacht vult met
weten
zonder binnenste , een holle naald in mijn bloed, die
veelogig
grijnst naar de invallende duisternis die mij naar
buiten keert

voor mijn onbemiddelde bruid, spaar ik het rose gom
dat ik ziedend kauw, naar het punt van onzichtbaar
gewaande planeten,
die mijn dode naspeuringen het wegen van pijn,
ontvouwen,
voor de ziel een wond, bergketen van levens aan
strakblauwe lucht

mijn toekomst is een vallend geweld, van ongewilde
schoonheid,
de vreugde van mijn stem is de baarmoeder van de dood,
die dwarsligger
verbreekt de natuurlijke weg als mogelijkheid van
zichzelf,
een noodlijdende bidt om de zonovergoten dag, wil als
toevluchtsoord,
waar in lege huizen licht is, voor het volmaakte kind,
elke engel

pig

September 25th, 2008

Schrijnend valt mijn oog op de eeuwige aanbidder, zijn
schaduwen als hemelen
roepen mij, de poort van het verlangen heft zich naar het
toekomstlicht
maar voor mij staan verledens met in lichterlaaie gezongen
takken, het arme gewicht
is nijdig het tillen te veel voor de pijnen is geen moeder
tot baken, zwart is haar nevelen

wat berouwt haar wenen, nog staan de schoven op aarde, als
de vissen zwemmen
snauwen de doden met het uur van verwijlen op hun gelaat,
dat zich wiel
draait , de ode der bannelingen loftuigend op de arm
gewaagd waarvan de wind viel
Verzwegene van mijn hart, lied van mijn liefde, ik bid de
toesnellende tijd tot temmen

De ruisende bron neemt de stenen op die neergegooid waren
in de geschrokken stem
van de klacht, ving U de windselen van mijn lijk en gaf
ze gestrikt, terug lezen mijn lippen
naar profetie, de van mijn tablet ontwaakte huwelijksdag,
in het nauw is de eed want slippen
vallen als zwarte ravijnen om de as waar het wentelen
genoeg druppels beamen, varken van Jeruzalem

Ochtend baar mijn genoegzame op, mijn huid verzucht vele
levens, naar de vloek versmoltenheid
terug op de deinende as door het geborgte, kind, zetelt
een gemoed van gelukkigen
en schonken de hellingen hun bloemen, de lucht is
dezelfde ik aanwees aan Imogen
de kruiszaden voegen zich naar de hals, benamen de kuil
van mijn ogen wieg van daad bevrijd…

hara

September 6th, 2008

o,Hara, ik wil mij opbinden aan U,
een licht voornemen om te bestaan laakt de dans
tot U
de dag zet mij aan het lichaam hijst, naar Uw mond
ontsnapt mijn adem

Dan heb ik buit, laat de drenkeling aan mijn
voeten walsen in het licht,
o,Hara waar moet ik Uw glorie zoeken dan binnen
het hart, dat gedronken heeft
van hetgeen mijn tranen roept over de soldaten, in
de wondgaten vallen zij zoutig
branden zij door de pijnen van het andere
slachtoffer, het logenstraffen, zwendel
van de weidige grafzichten, heropent de aarde en
maak den geest ruil in mij

De roman van de zon in omarming met de schijn die
zij verspreid,
haar voeten staan in de sneeuw te bloeden, het
spoort niet,
verzonnen en gezoogd op de winden luisteren mijn
woorden

Kus mij op de mond, deeg dat zal rijzen, en
uitdelen aan alle nichtjes,
zij verenigen tweemaal de vloed tot sneren waarmee
het gewricht
de mars loopt, luid als het ritme boven de
schreeuw , bonkend denkt

Lazarus, warm je aan de zon in de vrouw, zij is je
schaduw en de dorst
gevonden in de kentering van het oude, verlenging
van de in weerwolven
afgeleerde dronk, de tijden die afgruwen dichten
met louterend speeksel
Waarom helpt het niet dat wij bidden tot in de
kernen gespleten, zijn wij

Hara ‘O, was uw kind, het heeft geleefd en
gestorven is het, bij de pharao
die in de stenen stulp zijn hoedanigheid
verwikkelde in het rad van de tijd,
een korrel van Uw eeuwigheid bedekt vele
lichamen, maar spelen de kinderen
met het woesteinzand om, geheel ontremd over
deze eindeloze vlakte in braak
hun scanderende voeten te ontvlezen en de
schouders te ronselen tot liederen.

Hara.O het behoeft geen uitleg dat mijn plaats
aan uw voeten is, want de
eeuwen zijn mij verschenen met de onmogelijkheid
tot het oprichten van
hoofd, het bestaan slaapt in een wolk van
rekenschap schuif ik , eens tot lopen
staat, de grond over, de spade naar het
goddelijke vind de oostrichel.

moederkind

September 4th, 2008

Zwerfster ginder brandt de zon in mijn ogen,
het goud is mij gebracht in de vorm van de heks amara,
op mijn buik duwt zij in het weerspannige vlees,
de stonden van jaren, het grit van mijn raaskallen,
de spruw van mijn geest wordt onder grote druk
vervoeren de grif verloren metropolis, de ontzetting
binnen de kroes der darmen, waar roodkapje wees werd

de zomer verrast mijn buik, ik draag de zon
op mijn witbuikige onkunde in gedachte,
hetgeen de opmerkzame wil begrijpen is de lila huif
de lichtsluizen staan geopend voor de onbegrepen levens

Mijn buik is een duinpan waarin vrees zich moed verstrengelt
de lichamen lachen van de tijd die tekort is, het geschut
behoeft de prijs van verweer niet, want met de herinnering

is de vrees verstoven, het zand telt de waakzaamheid in korrels
gesmolten, tot wegen en welke uitwaaiiering begroeten zij

Het moederkind drijft op oneigenlijke grond, haar toebereid
werd de herinnering van geboorte, in de nacht kuste een
mond de schedel, van vocht glanzende doorschijnende huid, huivering
trekt mijn mondhoeken op tot glimlach, een fenomen, kristalnacht

Manen trekken rond mijn buik hun onbeschreven baan
verrukt mijn lichaam, het vlees beweegt zichzelf tot aftocht
gezond en sterk als het machtige beeld, heiligedag,boden van
steile weerga, berg van bevriezing tot in de onafscheidbare
gaat kracht op kracht, een kentering van wat bewerkstelligd.

Saturnus, laat mij naar de zon opkijken, Adamus geef mij
het volle van uw zaad, ik spuw het aan mijn handen,
mijn dode hande zijn gebergd in de zolen van Uw voet,
deze vlag is mijn huid,

en met duizenden zijn zij gekomen om de lichamen uit het mijne te schilderen

the void

September 1st, 2008

de leegte spreekt, spreekt me tegen
met aaneengeregen zwoerden, te taai binnensmonds
de slepende klinkers als druppels aan een kin, hoog
dansen de wangen tot muren en vredig is bloemen
de groei van herinneringen, in lichtvoetig onderscheid
plegen
zij de witte schedel van stammenstrijd te bewaren, om
aanstonds
te wagen de dood van schroom, naakt binnen de boog
van het licht te brengen, het hart met woorden ommuurd
die verbloeden heten, tot de cadans tot inzondering,
verlegen
opschuwt met het ritme van het hart, en eer verbroken
de mond van kwaad, te schielijk de zege
van de man, die een werd met het licht,
het hoofd als de knop van een bloem opschietend
tegen de muur met ranke voornemens verslingerd
als stille tranen van het levensbaren,
aan de grote lelie op het water, de stem
die de steeg waar verlangen rust, doorgaat vol liefde
is de vertrouwelinge van leegte, hoe nauw haar
de toegang trilt, en een steen op de sleep van de
bruid
het woord bloedt, de volle mond van de herinning
heft haar steen, de tegels, van gebroken spraak
om ze te breken, is haar tong gebruikt, is geleerd
wat niet vergeten wil worden, het eindeloze, diegene
brandend lacht,, de volte der vernietiging, ter
schaamte verschenen,

Johannes den doper is verzworen
bitter is de man en dorst is in zijn keel

Ceder

August 19th, 2008

zwart als de ceder
is het duizendvuldige vergeten
een giftand flonkerend van dode begeerte
in mij aftakelend, aan de
oever is te lonken bomen gezwaard
tot hun kruinen, engelengeduld, aan de top vrede
diep gebeden in mijn binnenste,

het genas niet, het dronk mij zwaar
als ik het droogveegde, de ijver beproeven
met bochtig vergroten van de stonde, tot meta-gnomen
dansend in mijn schaamte, hun getergde kluiten klaar
en bitter komt de adem nog na, de ruit van de halve maan

In glanzende maagdenvlies, passen te nauw
de pijnen zijn die mij geschonken, of achteloos zich te delen
in het grote, is hun volmacht mijn bestemming vaag
god bracht de plaats voor mijn woorden, deze testamentaire
van glorend zonnen de angsten gekleefd en liegen

voor de vruchtgoden, een kus van beslotenheid in velen
openbaren, heerlijkheden te sterven gelegd als kinderen,
Schenk mijn leven aan het lege, derhalve de leegte
want gedrongen en mismaakt is de nederige lief

Cantos I - IV (Judith V. op tekst van Wl. Nabokov- 2000)

August 15th, 2008

Hier Hadrianus, spring…

August 15th, 2008

Hier Hadrianus, spring…

Jij, wat geeft haar, hetgeen hoopt
de dag is geschonken aan den vriend,
Tweemaal heb ik het kruis geslagen,
naar de navel gebogen tot mijn hals e[e]n oor

Vigilant legde een droom zich naastenliefde,
binnen de ijzeren tegel in vroom geploegde zit
staat een gat op springen,

de boven nijd verheven naam schuift mij tot de punt van het oude gewricht,
waar buigzamer dan de herinnering aan pijn en dood

het water de klaarheid van een zuivere stem,
een er weggolvende lach indrijft,

die nimmer de nare smaak bezit,
van wat de geblevene in ervaringen zeulend, afgewezen weet,

de droeve bes der giften gemengd en geloftes kortstonds vermaakt

August 15th, 2008
frontline

frontline

[Fwd: son,zon]

August 15th, 2008

Met een salto, jagen denken, werken,
gekrompen is de dageraad tot navelhoogte, de plek
waar ik mij bond met deze moeder, een mijningang
voor de dode flonkering, de herhaling van het delen der enkele
cel
die oprept naar de diepte waarbinnen de wanden de eerste waren
gesloten
ontmoeten, de euvelen daar waar wij in een ander vonden wat niet
zelfbereikt,
konden wij een eenheid voorstellen die manen ronddraagt alsom de
aard
teveel voorbode van een aflaat waar het kuren gaanderijen van
zielsnoden
uitstamelen het bereikbare ootmoedigen ten gevolge paden, brevet
voor
en achter roversgedaanten het luid uitvoeren van danigheden, een
handeling die
bedrukt, de momenten dat wandelen opgaat voor het betreden van
water…

Want in mijn zijn, voltrekt zich zijn bestaan, in aanschijn
gescheiden laten de
aangeboren werken het voor de hetaere, een misbaar dat de windingen van
oorsprong
spiernaakt glijden laat in de brandende moeder, de vermorzelde moeder
uit de vrouw
het met vingeren ordenen wat in het hart getroffen werd, tot de zinnen
in het oogwit
dansten, en zuil na zuil omver wierp, licht ontving, wat sterk werd
geacht, de eerste
, mijn zoon, van gindse nacht op wellievende schoren wiegen met de lach
derzelve, de zon