Roma & Romi

May 23rd, 2009

Roma, Romi, roem, die zwijgt
geen leven, zonder tijd, zwijgen
glanzend ingepakt met strik
strikte tijd, hexameters van pijn
ingeslagen als een bom, de waarheid
neergedragen als de vleugelen, onder broeken

die goeie ouwe tijd, Roma, Romi
het dorre akkertje weet niet van groei
een lichaam met een plant als ziel
werkeloos, machete strijd

Kies een leven, wapenen
door de keel gaan degen en deegwaar
Waar rust jij op de arm
in de kom draait een zilveren lepel
Klingel klank dans

Weg is de weg, de timmerman
draagt haar in zijn armen,
wie jij wil is zij
Zij slaapt voor jou en voor alle anderen
die dat niet meer kunnen

Vrede rust aan haar hart
is een staking van het geloof
de pinkeman weet de wet
wedden dat mijn lezing
hem doet verstenen, mijn berg is hoog

huil maar, kinderen van de aarde
met mijn stem mag je schreeuwen
snijden in mijn lijf, want de witte botjes
willen rust, verlangen uit de ordening
te ontsnappen, neem ze allen en
laat ze vallen, mijn mika do

Bloei met de bloemen,
in herinneringen uitgesproken zinnen
werken van licht,
torren zijn wij, lichtvoetig
met klem gesproken
liefhebbend en hier

Blijf zitten, Roma, Romi,
je zit als ee zesmaandse
op het zaad van de goden,
bij het zien gaat iedereen in extase
kelen schieten tekort
om de zang in de lucht te houden

door het weten verzwaard
kom ik hier nooit meer weg
omranden mijn billen het botten
ter aarde bestelde platheden
schuif je hand weg
in ongeopende boeken.

onbezwaard zijn we teruggekeerd
uit parken gedronken licht
heeft ons verkozen, verarmd,
te sterven onder haar boom
tevreden zijn wij ondergebracht
in de porceleingezichten van een ouverture

ongeopend aan snippers verscheuren
wij onze romaneske verbeelding
scheelt ons werk, hopen
op het uur dat op mijn tenen gaat staan
zodat wegspringen met een gil
wordt bezien met normen lachend

draag mij op de schalen
op te ruimen, voorboden
van het ongekende avontuur
stelselmatig en opdringerig
tot het licht mijn masker wordt
ingevoerd in de gesloten tijding
wordt waar het bloed geronnen
daar de draad gesponnen.

dagen van goud

February 1st, 2009

Waar zijn de gouden dagen, Waren ze er ooit.
spelende kinderen in de nacht met lichtjes van onsterfelijkheid,
ontelbare schedeltjes gekraakt als noten bij de uitdrijving der geboorte

lieflijke tussen de zachte bloemen spelende verlangens van de kindertijd

nijver en arbeidzaam gewend naar de verte van uitgestrekte mogelijkheden

verworven bij de uitvoeringen van de ledematen het toegenomen gezag over
het ik
dat van overmeestering de lering trekt dat niets zomaar geschiedt, want
de plaatshebbende
ik is bespottelijk onwillig waar het een uitgave betreft van het wordend
zelf

hemelen vallen uit de lucht, zomaar op de graven van geluk want wat
kunnen
mijn bouwsels anders zijn over de structuren van de verbeelding waarin
mijn spelen leeft
van het lege ogenblik tot de eeuwen erachter sterken onvolgroeide
lichamen zich door
van de afzet en het neerkomen het ene te begroeten dat uitblinkt in het
jonge hart,

het luidop roepen van wat het kan en doet en in een oogwenk de velen
het geringschatten van alle beduiding voor te zetten op hetzelfde menu
In dit gespan blijf ik draven, vermeend gelukkig tot ik stralend tot
stilstand
kom, want wat mij heeft voortgedreven met de andere ingespannen
zendelingen

was de tribune van alle zielen, of de meesten, die naar boven komen tot
aan de oppervlakte, de kuur in volharding wordt uitgevoerd, uit wat
in gedrevenheid gezocht, in bedrevenheid werd aangestuurd
terwijl het rad in draaiing komt, is teugenvol lachen de omslag
lotgevallig

ruine

January 26th, 2009

O milord, gebroken ben ik,
versplinterd en verscheurd
op alle recepten huilen de doktoren
in hun drankjes schuilt de nacht
de gestokte adem
van de ouderdom,
vliegt voorbij een zwarte raaf;
de bij vergissing
gevankelijk overgeblevene
uit de zondvloed,
gestrand in zijn zege
met al het mijne
nu behorend aan hem
tussen eindeloos rondgedragen
takjes
De ellende
die zwijgend ligt opgebaard,
onder al het nieuwe,
dat verkondigd word
Vogel
vleugelloos,
uit de worp
gestort,
schrapen asfaltbloemen
je snavel,
naar de winden

O milady, afgereten ben ik
van het mensenleven,
toch word ik
weerhouden om in eenmaal
te sterven, want
het besef dat, de dood in beetjes,
de ontering rekt
de schulp gedoogt
waaruit ik spreek,
vreest niet voor niets
de nieuwe orders met pijn
en onverteerde prooi
mijn ziel is stuk
mijn zicht is kaal
en vergeten wegen
slaan de beelden uit mijn ogen
van geseling.
en breekt de dam
voor uitzinnig
besmeurde rituelen
net als de rot in het hart
dat mijn handen tillen

de genadige leprose
op de sneeuwtop
van schuchtere wandaden
baart in mijn hele pogen
de halve lichamen
omgeven met luister
en dolend leven
dat nog broeierig in dode oogkassen
naar ontraadseling zoekt
van voelen en ervaren van
mijn verkwijnd schip
het was wel verstaanbaar
maar…slechts in
de sterke onderstroom
van vergankelijkheid,
te betomen

Freunde

January 6th, 2009

Mijn bord bleef leeg toen zijn naam werd uitgekwaakt.

Onmacht veelt nu de naargeestige spiegel van schuld,
de belediging stipt kwade sprookjes, in het derde oog.

De vriend, in bed geschoten met bleke herinneringen,
is de heerser van het bos.

Wanneer het loof is afgekauwd
als door schapen het hoge gras
blijven boomhoog de vragen
en trekken narren dansend
naar het sapgroene kruis.

Ware niet mijn tenen gekromd
dan viel ik uit de boom des levens
met de stuit in de grond,

daar,
waar de roos zich in het hart boort
het smekend wetten van tranen
lanen afloopt op wangen
tot het verdriet zich heiligt,
is mijn god.

Toch vergrepen monden zich
aan het levende lichaam dat
nors afstevenend op het vuur,
met hetzelfde loopje
als de bek(r)oo(n)de demon,
in zwarte brokken geschilde huid ontvlamt
en vlagen het kermen vervoert
tot (aan) de rand van de dood,
waar de vereffening verast

Gestorven is hij.

In de dalen, mijmert een bede nog naar de zonzijde,
haar warme lei voelt passende woorden

Een vogel wenkt, vrij in vangen,

vlerken vol monologen, een ruchtbare tocht
die nergens zoveel schade brengt dan aan de ziel,

Het aardse, dat geklemd tussen de kaken
in de hoogte wordt losgelaten
(als) uit de lucht gevallen keien des doods.

Judith V. - 5 Januari 2009

duisternis

December 17th, 2008

Zwarte ruggen, ontbreekt ruiterlijk de bekentenis,
van hoop, dan voert niets de ogen verder met staren tot het
weten kraakt,

Een weerkaatsing op de hoge poten, van ongelijk besef

Zij, die geruststellend met een knikken, al afraden te kennen
voeden het blinde kind hun getuigenis voordat ze het geleiden
voorbij de bron achter de bomen voelt het licht,

in de geweien brandt een zon,
(en) niemand wist het

Het vlees waarin de spraak is ontketend
is eender met het hart weggekauwd

geleend, om nimmer terug te geven, de onherroepelijkheid
verstomt voor het de mond raakt

met de wind wanen zij dicht de gaten
tot het kieren begint in hun eigen ogen

Het kind is dan de ziel ontwaakt in de dove muren,
waarlangs het liep en leunde,

tot in de diepte van het heulen,
voor de afstand een weerzien opvat,

dat in de eerste schillen is ontwaart
als (door) de stijve muren het weten
van de hoge ladder openbreekt,

Pastimes of a Princess in a Bibliographical Workout - continued

December 15th, 2008

In the palaster of words,
a princess has chased the apes
at the monastery of men insulted, but
arrival has made for her a god
to be waisted, sinn has to be reconsidered

she ain’t alone, causes refilled
with splendour, as quoted by an inner rotation
for the sublime, as a sunshined aboriginal
climbing the whole rooted way, for evolution
has waited to be have sustained the glorious words

And no one believes, she will revive…
through this membership
insurgents, to be wittnessed
in a paramount hight, smoke kindled
food has left her existence

astray the veiled sky
its submittance tressfolded
legs to be on deliverance
twice as long to running inhabitance
love dared to sleep, and sleep insane

the combination of perrault and grimm
baked a sudden roof, and merit was in its
torches floating distantly the skin
to perish in uttered wings

winged while merchandising its goeroe
all the pale symbols, the bleeding
clouds, brought in the same time
back the silence, as mineral locks
in dubious thoughts, insubordination
spreaded a field, a gloom not
to be historiced with the tongue

This very moment the princess has lost
sight but to be redeemed with the sword
in the eleventh arm, she’ll drop her
eyes, and expression will remorse,
curled up at her back, she’ ll be
naked, an inmate of intimate ‘Lares’

so all loved and living,
tell her what to see…

Judith V.

Amsterdam NL - December 14th 2008

Nerves

December 10th, 2008

neen, niet de woorden, de minnaars van de tong
razende snelwegen vol leugens; ik heb ze nooit weersproken
toen ze zongen
zestien sonetten in het licht van mijn schuld; bestond ‘t
stokstijf de ouderdom binnen te laten

gebaar in de zee’engte van de tijd, de tong gekuist door
stembanden
die de keel toeknijpen met vaste hand, mijn land is koud
geworden
de oren zijn afgevroren, en tranen vormen druppels tijd
zonder blikken of blozen

waar ijsbloemen in het hart de graagte knakken waarin de
schuchtere doolt
te ontsnappen aan eenzame nood die, opgeraakt, manshoog
braakt
in de ontzielde verlorenheid waar kort een lichaam stond,
eerstelijns genaakt

gesloten monden leiden om de tuin, wat vragend het kind
wilde weten.
raakt in mesthopen verdorven, terwijl in de rook de gewezene
begint te verdwazen

Tellen in de wind, aanschieten de dreef der wanhoop,’t
smal kind,
dat in laster uit eigener beweging waarheid herziet, die
zien onwaardig was
en zien van god, vooronderstelt, dat wat gespeld is, een
zicht voorspelt
leger dan mozes mandje, zwaarder aan een arm, dan in het
hart.

Dwaalwegen richten een ruggegraat op, te jong in deze
zitting;
die het eindeloos gaf, wat het niet wilde en in de
tussenkomst
niet veelden wat zich vervangen wist uit zich zelven,
tot een ander, een vreemde, een geheel gemaakt naar het
moment, dat de onverdeelde tijd
het baren van de ontelbaren toevertrouwen liet voor delven
te vernietigd

in verwachting van licht, rollen welkomstgolven rollen
onderaars
waar het duister en onzalig was, uit spelonken stap ik in
de warme huid van mijn vinder,
een gebed tot met de nakende neiging de ander land bereikt.

daar is de timmerman die schuilt op de richels vertrouwen
die het houten engelenkind veinst in de vezels van zijn
wording,
schielijk met de kwast ondergaand in de nerven van zijn ziel

tot een zon in een inrichting beland waar licht op het kind
van Oef,
zonder maantjes in zijn ogen valt maar gewoon, zonder
knippering
lobbig overtogen blijft staan, zijn zwijgen opbaart, tussen
kaarslicht en schaduw
uit zijn bestaan vol misvattingen, de zee’egels raapt voor
de wimpers

nerves

December 9th, 2008

neen, niet de woorden, de minnaars van de tong
razende snelwegen vol leugens; ik heb ze nooit weersproken
toen ze zongen
zestien sonetten in het licht van mijn schuld; bestond t
stokstijf de ouderdom binnen te laten

gebaar in de zeeengte van de tijd, de tong gekuist door
stembanden
die de keel toeknijpen met vaste hand, mijn land is koud
geworden
de oren zijn afgevroren, en tranen vormen druppels tijd
zonder blikken of blozen

waar ijsbloemen in het hart de graagte knakken waarin de
schuchtere doolt
te ontsnappen aan eenzame nood die, opgeraakt, manshoog
braakt
in de ontzielde verlorenheid waar kort een lichaam stond,
eerstelijns genaakt

gesloten monden leiden om de tuin, wat vragend het kind
wilde weten.
raakt in mesthopen verdorven, terwijl in de rook de gewezene
begint te verdwazen

Tellen in de wind, aanschieten de dreef der wanhoop,t
smal kind,
dat in laster uit eigener beweging waarheid herziet, die
zien onwaardig was
en zien van god, vooronderstelt, dat wat gespeld is, een
zicht voorspelt
leger dan mozes mandje, zwaarder aan een arm, dan in het
hart.

Dwaalwegen richten een ruggegraat op, te jong in deze
zitting;
die het eindeloos gaf, wat het niet wilde en in de
tussenkomst
niet veelden wat zich vervangen wist uit zich zelven,
tot een ander, een vreemde, een geheel gemaakt naar het
moment, dat de onverdeelde tijd
het baren van de ontelbaren toevertrouwen liet voor delven
te vernietigd

in verwachting van licht, rollen welkomstgolven rollen
onderaars
waar het duister en onzalig was, uit spelonken stap ik in
de warme huid van mijn vinder,
een gebed tot met de nakende neiging de ander land bereikt.

daar is de timmerman die schuilt op de richels vertrouwen
die het houten engelenkind veinst in de vezels van zijn
wording,
schielijk met de kwast ondergaand in de nerven van zijn ziel

tot een zon in een inrichting beland waar licht op het kind
van Oef,
zonder maantjes in zijn ogen valt maar gewoon, zonder
knippering
lobbig overtogen blijft staan, zijn zwijgen opbaart, tussen
kaarslicht en schaduw
uit zijn bestaan vol misvattingen, de zeeegels raapt voor
de wimpers

Epifanie

December 7th, 2008

oh, mijn blauwe heer, dit is wat ik ben,
alles wat ik ben, en nu klaar om te sterven
ieder moment, laat mijn verdere bestaan
de tempel worden van deze vervulling

oh, heer van het licht, ik ondervind de
pijn van het leven op het blad dat zich
voor mij neervleit, deze papierslinger voor
mijn gemaal die mij zijn vertrek vergunt

ieder moment van het leven zal worden
opgevraagd, en de voldragen verwezenlijking
vormen in de macht uwer ogen waarin wij verschijnen
in de honger en de dorst van uw openbaring

flygirl

November 29th, 2008

flygirl,

en ik werd blind van onvoorziene gedachten, draaiend als
schroeven van de tijd
oud en ontmand, de kin van schaamteloos verlangen op het
borstbeen geklampt

het geluk dat niet was is voorbij, ten onder gegaan aan
zijn vermeende kracht
want de heer der vernietiging zond mij zijn paard dat ik
niet herkende omdat het
zo zachtmoedig ritselde in de ingewanden waar opgespaard
verdriet volgezogen
ligt met ongehoorde fluittonen, zacht gesneden als een
witte boterham met aardbeien
die onverschrokken opgehoest boven een donker gat
terwijl het zonlicht buiten verdwaald

en ik werd blind gezadeld op het geluk, het danste
zwevend licht, met een schouderophalen
naar het keren van de wind die nu uit het oosten rukt
aan mijn staart terwijl de draak gebukt omziet
naar het schoeisel dat de aarde smeekt om te leven,
trippelend bloedrode stippen kust naar
de verloren familie, leden sust met een deinend
mededelen van rust aan de doden

en ik lach in de schuren van het verstand, waar het werk
onafgebroken vergt dat voorwaartse
oren de geluiden der stemmen met vilt beslaan, zo
geweest zijn de klanken gegoten in stem,
is de geur die herinneringen dragen weldadig voor de
nakomelingen opgezonden uit
hof der verbeelding, waar het vliegend kind de manen
streelt van haar schimmelziel