Jokebeth

Wie omschrijft de harten geboren zonder troost,
geboren om te breken als een lente die schrikt
als groei zich opdringt aan de stilte van wegebbende koude
en een moment offreert dat voor de uitbundigheid
uit eenzaam schreeuwt, in het gezicht van de tijd,
naar een moeder, roepende in het teruggebrachte licht,
tot het vuur dat haar vlammen moest terugtrekken
omwille van het beeld dat voor haar uitleeft, dat naar haar omziet
en vanwaar zij zich verwijdert naar haar eigen duister,

Oh meester waar vind ik een getuige die de verwildering van mij plukt,
al wat ik voortbreng is blikvanger voor de ogen van de dood,
haar vreemde macht
haar kleverige spoor plakt het zegel op al mijn ervaringen.
tot ik de deelgenoot van mijn eigen pogen heb geworgd, op haar uitwerking
een geweld afkondigend, dat schept zonder bekoring Grifulvin

Hoop is een Steen

De wereld is vannacht een museum geworden, een spoor
van wreedheid waar ik kom, als kwik dat slalomt, om de kloppende ader van waarlijk ik
het buurhart, dat zich in het lichaam gedrongen heeft, te vrome gezel, naast mij, behoud
van de zuchten, die haten, het houweel van doordringen tot mij

Wij baden in hoop en hoop smaakt ons als het bloed van lam,
dat de genen in het lichtbad van kennis, klein en dom van zwerven kauwt
Ik raap mijn leugens gelijk een paar oude schoenen terwijl derden zoeken
naar de klompvoeten die rondspoken op de graven

Stil te voet op de verse binnenlijn van de droom, de poeder loopt mijn onontkoombaarheid
te keren als tijd het spijten opbindt, ik wandel langs mijn penselen, de streken die mij doden,
De voordringer in mijn toekomst en starende in lompen van het zelf, dat trotse ik,
Gehard en gespierd omklemmen, waarin het zicht met mijn oog afspreekt te onthouden

Tot de paden het leidsel loslaten,
De ziel de kloppende aderen,
de kwade toets te beluisteren, die met eendracht zacht wordt aangeslagen,
Een schrik van verscholenen maakt ontfermen onnodig
alleen de behoeftige spreekt met de kracht van het gesteente de worp
Chloramphenicol 500mg

Born Free

Een gevangene van geboorte, draaiend in een kooi,
een oude code, als een ijzeren vleugel aan de lente
mooi in een windsel van verre dagen.

Vogelkind, gevallene, uit saamhorige trog schenkt leven pijn,
baar nogmaals mijn lijf, deze zwam van stijfsel,
mijn voeten plooien in het licht dat haar uitgave
schijnt van een gebroken waaier, waar van geest
maar besproken door schemerige uitmergeling

Zij zaait en loot en haar toeschietelijk engel
voelt nimmer hoop, waar het wenen aanzwelt
en het graf een lichaam zoekt van de mijnen
voor deze onverlaat, bevallen van te grove ontluistering.
een beenderlichaam van soorten in ijs

Bemin mij als een pasgeborene, een schedel
van zedige mijmering aan karige hulpeloos gesloten vingers,
de wonden bloeden een nieuwe geur, zoetig lauw de gooi
naar de tovergang uit verzworven tuinen zuchtend,
bol staan de leugens, als tenen van heksenvoeten

Uilen roepen van zinderende uren,
de nachttijd van mijn vergankelijkheid glijdt
op de stralen van de zon, voor het wild verwekte dier

Lord Goodbye

De gedachte van mijn god gaan teloor,
het smekend gruis van afwachten
dat spoor tot in de hel,

daar werd vaarwel gedoopt
in gulle goudglans geloot
wat mij de adem benam.

De wachten zijn dood,
te oud geworden
tussen vele levens,
de handen als was zo volgzaam

naar het hoofd ,
waarin de gesp van redding
nogmaals wordt gesnoerd

mijn korte god…oh kort

Gekroond met de Dood

Heer, o Heer, waarom heeft U mij verlaten

Naar U reik ik, mijn schedel wordt gelicht en al mijn gedachten eruit gehaald,

Naar U reik ik, mijn hart wordt mij ontnomen en het kloppen is van de wonden

Naar U reik ik, mijn graf is gegraven, mijn zelf werd ontzield.

Naar U zie ik op, kijk mijn nazaten zijn afgereisd naar de stad van mijn jeugd,
het huis waar het monster zich bevind in de nimmer verstofte jaargangen van angst,
van de nietigheden van het kwaad tot het afgrijzen om de onherkenbare draden
is de angst van het vallende lichaam als de ban van het stof op de oppervlakte,

Heer geef, geef mij de are in lichtgeel, in de groep van lammeren breekt het ik haar zwerfziel
in het gedicht van wol, de vrolijkheid zelve die over ellende blaat zal mijn ziel vlechten met zuiverte

al mijn liefde gaat uit naar het bestaande, vooral de stenen maagd,
die haar schiereilanden werpt in de concrete cel, het vergeten oude doorwaadbare ik

de blinde ent van de ziel uit de Plot van de filosofie, zie nu hoe de eenden snaterend

de statuten van de tijd bekwaken met kwak, kwak, kwak het zaad aan de stenen voet.

Zie hoe op de tepelhoven de mannen staan als waren het draaitafelen
Gevild is de tederte van de huid, de gebolde leugen in ter velde kruipende spam
Aan uw lippen hingen de eeuwigen… de stenen knieval van de teerling

Mij past het lijfje van knellende verlangens, de vreugde van de glasgeboren holte, niet streelbaar, niet ziek
nog niet opgebonden tak van schaamte, met bloem en al verslingerd aan het doorluchtige in haar richten, krul is goed…

Koosnaam van mijn kindje, ik bind je onder mijn zolen,
anders kunnen mijn voeten niet gaan in de vreemde wereld
kan ik je niet nareizen om het vallen van de nacht op te halen
jouw lichaam in mijn armen het inslapen geven in vrede en troost,

In de lichtgeeuw broedt de wake, in de brede hand staat het smalle kindervoetje.
Het schijnsel van mijn zorgen slaakt in de dans van kringen de uitverkoring
Nimmer was ik nog dood, de schede blijft leeg, van deze dag alleen

Vanavond komt mijn man over de ophaalbrug van mijn halfslaap,
Het is feest, voor de morgengeboorte van mijn nieuwe naam

Judith V. Pasen 2010

Manna

Lord, unlock me
ik ben zinkende op de rivier van hoop,
meesmuilend met het spiegelbeeld dat het oppervlak
waaronder ik leef toont, mijn mismaakte geest
begraven in het graf van mijn lichaam, kwelders van mijn kwade ik,
het bungelen van een telescopische dood aan mijn tenen.

Lord save me,
ik geef de geest de verzamelnaam van pijn,
in het hart, waar de rattekoning woont, levenloos als de choreografie van
de tijd,
in de longen, de weg van luchthartige monddode herinneringen,
in de ziel ontstaan uit het doorliggen en opgebraakte lakens

Lord, send me a prayer
Ik lik aan de bron, vele vindplaatsen verder dan het rijk vol stromen,
en ingeslikte tongen houden me vast voor het zich kan openbaren
Het kind dat stikt in de kelders van de slaap en uit het wandkastje
de wonderen haalt van het oude afgrijzen: de poppen van haar oma.

Uit het zaad ben ik geroeid, een uitroeiing van al wat wist.
Mijn gedachten onder poolkap van de tijd, gewervelde kalligrafie
van gen en zonlicht, te veel licht om lief te hebben.
Weg is zij, uiteengegaan in wegen naar anderen, onder het geslacht
van verdreven stammen paart haar stem het volstemmige lied

Lord, Mother
voel hoe innig ik liefheb wat ik niet ken, want ik was kind van de
vissemaagd
dat de droogte over zich heen geworpen, als het stof van mijn wezen,kreeg
een dans in opeenvolging, een boek van delen, de dwaalwegen tot de as,
Goedheid is de geur van mijn god, onsterfelijk zijn edele delen

Ik, slaap de dood die ik vrees
terwijl de scholen samenzwemmen om het kind te leren,
de tijd te doden in de gangbare kennis van overlevering die overleefd
Het meisje met haren aan ogen die slapen, in deerniswekkende onbestane
volieres
De ceder die opgroeit uit haar navel, de wortels vol van mijn eenzaamheid,
de moeder die haar wolvacht scheert voor de vreugde van een naakte
aanschouwing,
de borrels van lucht in de schacht van het kwaad, de netelige sintel van
vervoering.
De liksteen van de maagd het klokkend laatste woord van de erven,
Man zonder erf, kom tot god …klief de zwaarte.

Roma & Romi

Roma, Romi, roem, die zwijgt
geen leven, zonder tijd, zwijgen
glanzend ingepakt met strik
strikte tijd, hexameters van pijn
ingeslagen als een bom, de waarheid
neergedragen als de vleugelen, onder broeken

die goeie ouwe tijd, Roma, Romi
het dorre akkertje weet niet van groei
een lichaam met een plant als ziel
werkeloos, machete strijd

Kies een leven, wapenen
door de keel gaan degen en deegwaar
Waar rust jij op de arm
in de kom draait een zilveren lepel
Klingel klank dans

Weg is de weg, de timmerman
draagt haar in zijn armen,
wie jij wil is zij
Zij slaapt voor jou en voor alle anderen
die dat niet meer kunnen

Vrede rust aan haar hart
is een staking van het geloof
de pinkeman weet de wet
wedden dat mijn lezing
hem doet verstenen, mijn berg is hoog

huil maar, kinderen van de aarde
met mijn stem mag je schreeuwen
snijden in mijn lijf, want de witte botjes
willen rust, verlangen uit de ordening
te ontsnappen, neem ze allen en
laat ze vallen, mijn mika do

Bloei met de bloemen,
in herinneringen uitgesproken zinnen
werken van licht,
torren zijn wij, lichtvoetig
met klem gesproken
liefhebbend en hier

Blijf zitten, Roma, Romi,
je zit als ee zesmaandse
op het zaad van de goden,
bij het zien gaat iedereen in extase
kelen schieten tekort
om de zang in de lucht te houden

door het weten verzwaard
kom ik hier nooit meer weg
omranden mijn billen het botten
ter aarde bestelde platheden
schuif je hand weg
in ongeopende boeken.

onbezwaard zijn we teruggekeerd
uit parken gedronken licht
heeft ons verkozen, verarmd,
te sterven onder haar boom
tevreden zijn wij ondergebracht
in de porceleingezichten van een ouverture

ongeopend aan snippers verscheuren
wij onze romaneske verbeelding
scheelt ons werk, hopen
op het uur dat op mijn tenen gaat staan
zodat wegspringen met een gil
wordt bezien met normen lachend

draag mij op de schalen
op te ruimen, voorboden
van het ongekende avontuur
stelselmatig en opdringerig
tot het licht mijn masker wordt
ingevoerd in de gesloten tijding
wordt waar het bloed geronnen
daar de draad gesponnen.

dagen van goud

Waar zijn de gouden dagen, Waren ze er ooit.
spelende kinderen in de nacht met lichtjes van onsterfelijkheid,
ontelbare schedeltjes gekraakt als noten bij de uitdrijving der geboorte

lieflijke tussen de zachte bloemen spelende verlangens van de kindertijd

nijver en arbeidzaam gewend naar de verte van uitgestrekte mogelijkheden

verworven bij de uitvoeringen van de ledematen het toegenomen gezag over
het ik
dat van overmeestering de lering trekt dat niets zomaar geschiedt, want
de plaatshebbende
ik is bespottelijk onwillig waar het een uitgave betreft van het wordend
zelf

hemelen vallen uit de lucht, zomaar op de graven van geluk want wat
kunnen
mijn bouwsels anders zijn over de structuren van de verbeelding waarin
mijn spelen leeft
van het lege ogenblik tot de eeuwen erachter sterken onvolgroeide
lichamen zich door
van de afzet en het neerkomen het ene te begroeten dat uitblinkt in het
jonge hart,

het luidop roepen van wat het kan en doet en in een oogwenk de velen
het geringschatten van alle beduiding voor te zetten op hetzelfde menu
In dit gespan blijf ik draven, vermeend gelukkig tot ik stralend tot
stilstand
kom, want wat mij heeft voortgedreven met de andere ingespannen
zendelingen

was de tribune van alle zielen, of de meesten, die naar boven komen tot
aan de oppervlakte, de kuur in volharding wordt uitgevoerd, uit wat
in gedrevenheid gezocht, in bedrevenheid werd aangestuurd
terwijl het rad in draaiing komt, is teugenvol lachen de omslag
lotgevallig

ruine

O milord, gebroken ben ik,
versplinterd en verscheurd
op alle recepten huilen de doktoren
in hun drankjes schuilt de nacht
de gestokte adem
van de ouderdom,
vliegt voorbij een zwarte raaf;
de bij vergissing
gevankelijk overgeblevene
uit de zondvloed,
gestrand in zijn zege
met al het mijne
nu behorend aan hem
tussen eindeloos rondgedragen
takjes
De ellende
die zwijgend ligt opgebaard,
onder al het nieuwe,
dat verkondigd word
Vogel
vleugelloos,
uit de worp
gestort,
schrapen asfaltbloemen
je snavel,
naar de winden

O milady, afgereten ben ik
van het mensenleven,
toch word ik
weerhouden om in eenmaal
te sterven, want
het besef dat, de dood in beetjes,
de ontering rekt
de schulp gedoogt
waaruit ik spreek,
vreest niet voor niets
de nieuwe orders met pijn
en onverteerde prooi
mijn ziel is stuk
mijn zicht is kaal
en vergeten wegen
slaan de beelden uit mijn ogen
van geseling.
en breekt de dam
voor uitzinnig
besmeurde rituelen
net als de rot in het hart
dat mijn handen tillen

de genadige leprose
op de sneeuwtop
van schuchtere wandaden
baart in mijn hele pogen
de halve lichamen
omgeven met luister
en dolend leven
dat nog broeierig in dode oogkassen
naar ontraadseling zoekt
van voelen en ervaren van
mijn verkwijnd schip
het was wel verstaanbaar
maar…slechts in
de sterke onderstroom
van vergankelijkheid,
te betomen Dostinex

Freunde

Mijn bord bleef leeg toen zijn naam werd uitgekwaakt.

Onmacht veelt nu de naargeestige spiegel van schuld,
de belediging stipt kwade sprookjes, in het derde oog.

De vriend, in bed geschoten met bleke herinneringen,
is de heerser van het bos.

Wanneer het loof is afgekauwd
als door schapen het hoge gras
blijven boomhoog de vragen
en trekken narren dansend
naar het sapgroene kruis.

Ware niet mijn tenen gekromd
dan viel ik uit de boom des levens
met de stuit in de grond,

daar,
waar de roos zich in het hart boort
het smekend wetten van tranen
lanen afloopt op wangen
tot het verdriet zich heiligt,
is mijn god.

Toch vergrepen monden zich
aan het levende lichaam dat
nors afstevenend op het vuur,
met hetzelfde loopje
als de bek(r)oo(n)de demon,
in zwarte brokken geschilde huid ontvlamt
en vlagen het kermen vervoert
tot (aan) de rand van de dood,
waar de vereffening verast

Gestorven is hij.

In de dalen, mijmert een bede nog naar de zonzijde,
haar warme lei voelt passende woorden

Een vogel wenkt, vrij in vangen,

vlerken vol monologen, een ruchtbare tocht
die nergens zoveel schade brengt dan aan de ziel,

Het aardse, dat geklemd tussen de kaken
in de hoogte wordt losgelaten
(als) uit de lucht gevallen keien des doods.

Judith V. – 5 Januari 2009