Archive for May, 2008

Moeder

Saturday, May 31st, 2008

Moeder ben ik & een kind met het steenvocht
middelpuntvliegend van het hart waar bonkt & beukt
de grote verguizer rechtopstaande van het ik
& waar ik bloedend de gaten betast van de verlossing.

O Moeder o sterren van Uw ogen
o schittering wit waar wij U vinden zouden
& waar wij U geven konden ware het niet
wat wij geven wilden & vonden
de dorre slaap was aan stervenden
& de wake aan het ziedende leven.

O Moeder uit mijn lichaam sissende suist
de stoom van de angst, mijn ogen verbeelden mij
schimmen, het struinen van geesten
in het schuim van de zee terwijl stervende
toch voel ik mij lenig te trillen staan & lillend
schudt ik mij de veren de wijzers de schubben
& de woorden waarin ik schuilde voor U.

Murmelende borrelt in tunnels uit de helm
van de stilte die nog omknelt de kinderschedel
de gladde stralen der strijdzuchtige gezangen
& ontbranden hun giften aan gloeiende kolen
van haat in de ogen.

Op het verstapelde gebladerte rusten nog
de naamloze resten der misgunden:
als kralen rijg ik de okeren tekens
van schande aan het snoer van mijn zang.

In de wind boven de stortrots
krijt de kalk zich stemloos uit de lijnen der beloften
& in de ogen der blinden strooit zich de pijn van hun stof.

O Moeder splijt ons helder de weerbarstige lippen, fluister
ons zuiver de uitkermende verte, laat ons
uw onmetelijkheid in stilte geworden
opdat ons afvallen zouden als bevroren vruchten
de zwarte pukkels van de haat, geef ons heden
de kracht in uw heengaan te verdwalen
zoals u verdwaalt in de troosteloze
labyrinten van onze kurkdroge zielen.

dv, vrij naar een tekst van Judith V.

Moeder

Saturday, May 31st, 2008

De moeder ben ik en het kind ben ik, aan het gewicht dat
mijn middelpunt vormt, de steen in mijn hart, de grote vergruizer van
het
rechtop staan uit trots, de gaten van het ik , verlaten,
Ode aan de grote moeder , de ster van haar ogen
in de mijnen schittert wit, zou een vindplaats zijn ware het niet dat
zij de slaap van de stervende geven en mij verblind ,
Oh moeder breng mij heen waar ik mijn ogen zich openen en
het licht van het weten mijn ziel vindt, mijn lichaam is een systeem van
de angst,
waarvoor ik uitingen vind die met het bidden vormen evenaart die
het leven zelf laat zien in de volheid van haar kracht,
de schim die ik schep maakt mij bleek, als het schuim van de zee.
stervende voel ik mij nu ik mijn hart lenig, een trillende danseres
wier uitbeelding naar binnen ging en het uithoudingsvermogen tartte
zodat zij lijkt op een tuimelaar die wijzerplaat afbreekt van haar
planeet
gedwongen opverend uit haar vrije val naar het eeuwig licht.

Een blik uit het duister neemt mij op, een helm van stilte omvat de
schedel
van het dode kind, verdroogd zijn de ogen, onweerlegbaar is is het woord
dat voortfluisterd
door tunnels, glad, als de tijd , voorbeschikt om wat uit het gevecht
aan eer en overwinning opgerichte kracht te verbeelden bleef te
ontbranden

Duizend kinderen beween ik en de rest krijgt een verstapeld gebladerte
om verstikking de vinden voor het onthaal dat hen misgund werd door de
de moeder, naast mij de moeder die kralen rijgt aan haar felbegeerde
snoer,
dat gouden kerkkamers schept voor wie de dag aanbreekt van jong
smachtend
het uitkermend tot in de gespreide verte, de belofte zich uitkrijt,
Oh moeder, ik hang aan Uw lippen en fluister in de schelp van uw uren
kostbaarder dan de tijd die mij hier blijft, iedere keer dat ik
bloemen breng
naar de poort, U mij laat leven, U wacht in het lichtzuiver vereeuwigd,
Onmetelijke moeder, neem mijn verpulverd woord tot poeder voor de
gezichten
die onuitsprekelijk in mijn verbeelding bloeien en mij doen sterven,
omdat zij voor mijn ogen het koord los gooien, de diepte van hun pijn
fonkelt, gelijk besproeit ongelijk zwarte stelen waaraan vruchten
afvallig.

Heel bewust te verdwalen,.