Archive for August, 2008

Ceder

Tuesday, August 19th, 2008

zwart als de ceder
is het duizendvuldige vergeten
een giftand flonkerend van dode begeerte
in mij aftakelend, aan de
oever is te lonken bomen gezwaard
tot hun kruinen, engelengeduld, aan de top vrede
diep gebeden in mijn binnenste,

het genas niet, het dronk mij zwaar
als ik het droogveegde, de ijver beproeven
met bochtig vergroten van de stonde, tot meta-gnomen
dansend in mijn schaamte, hun getergde kluiten klaar
en bitter komt de adem nog na, de ruit van de halve maan

In glanzende maagdenvlies, passen te nauw
de pijnen zijn die mij geschonken, of achteloos zich te delen
in het grote, is hun volmacht mijn bestemming vaag
god bracht de plaats voor mijn woorden, deze testamentaire
van glorend zonnen de angsten gekleefd en liegen

voor de vruchtgoden, een kus van beslotenheid in velen
openbaren, heerlijkheden te sterven gelegd als kinderen,
Schenk mijn leven aan het lege, derhalve de leegte
want gedrongen en mismaakt is de nederige lief

Cantos I - IV (Judith V. op tekst van Wl. Nabokov- 2000)

Friday, August 15th, 2008

Hier Hadrianus, spring…

Friday, August 15th, 2008

Hier Hadrianus, spring…

Jij, wat geeft haar, hetgeen hoopt
de dag is geschonken aan den vriend,
Tweemaal heb ik het kruis geslagen,
naar de navel gebogen tot mijn hals e[e]n oor

Vigilant legde een droom zich naastenliefde,
binnen de ijzeren tegel in vroom geploegde zit
staat een gat op springen,

de boven nijd verheven naam schuift mij tot de punt van het oude gewricht,
waar buigzamer dan de herinnering aan pijn en dood

het water de klaarheid van een zuivere stem,
een er weggolvende lach indrijft,

die nimmer de nare smaak bezit,
van wat de geblevene in ervaringen zeulend, afgewezen weet,

de droeve bes der giften gemengd en geloftes kortstonds vermaakt

Friday, August 15th, 2008
frontline

frontline

[Fwd: son,zon]

Friday, August 15th, 2008

Met een salto, jagen denken, werken,
gekrompen is de dageraad tot navelhoogte, de plek
waar ik mij bond met deze moeder, een mijningang
voor de dode flonkering, de herhaling van het delen der enkele
cel
die oprept naar de diepte waarbinnen de wanden de eerste waren
gesloten
ontmoeten, de euvelen daar waar wij in een ander vonden wat niet
zelfbereikt,
konden wij een eenheid voorstellen die manen ronddraagt alsom de
aard
teveel voorbode van een aflaat waar het kuren gaanderijen van
zielsnoden
uitstamelen het bereikbare ootmoedigen ten gevolge paden, brevet
voor
en achter roversgedaanten het luid uitvoeren van danigheden, een
handeling die
bedrukt, de momenten dat wandelen opgaat voor het betreden van
water…

Want in mijn zijn, voltrekt zich zijn bestaan, in aanschijn
gescheiden laten de
aangeboren werken het voor de hetaere, een misbaar dat de windingen van
oorsprong
spiernaakt glijden laat in de brandende moeder, de vermorzelde moeder
uit de vrouw
het met vingeren ordenen wat in het hart getroffen werd, tot de zinnen
in het oogwit
dansten, en zuil na zuil omver wierp, licht ontving, wat sterk werd
geacht, de eerste
, mijn zoon, van gindse nacht op wellievende schoren wiegen met de lach
derzelve, de zon