Archive for December, 2008

duisternis

Wednesday, December 17th, 2008

Zwarte ruggen, ontbreekt ruiterlijk de bekentenis,
van hoop, dan voert niets de ogen verder met staren tot het
weten kraakt,

Een weerkaatsing op de hoge poten, van ongelijk besef

Zij, die geruststellend met een knikken, al afraden te kennen
voeden het blinde kind hun getuigenis voordat ze het geleiden
voorbij de bron achter de bomen voelt het licht,

in de geweien brandt een zon,
(en) niemand wist het

Het vlees waarin de spraak is ontketend
is eender met het hart weggekauwd

geleend, om nimmer terug te geven, de onherroepelijkheid
verstomt voor het de mond raakt

met de wind wanen zij dicht de gaten
tot het kieren begint in hun eigen ogen

Het kind is dan de ziel ontwaakt in de dove muren,
waarlangs het liep en leunde,

tot in de diepte van het heulen,
voor de afstand een weerzien opvat,

dat in de eerste schillen is ontwaart
als (door) de stijve muren het weten
van de hoge ladder openbreekt,

Pastimes of a Princess in a Bibliographical Workout - continued

Monday, December 15th, 2008

In the palaster of words,
a princess has chased the apes
at the monastery of men insulted, but
arrival has made for her a god
to be waisted, sinn has to be reconsidered

she ain’t alone, causes refilled
with splendour, as quoted by an inner rotation
for the sublime, as a sunshined aboriginal
climbing the whole rooted way, for evolution
has waited to be have sustained the glorious words

And no one believes, she will revive…
through this membership
insurgents, to be wittnessed
in a paramount hight, smoke kindled
food has left her existence

astray the veiled sky
its submittance tressfolded
legs to be on deliverance
twice as long to running inhabitance
love dared to sleep, and sleep insane

the combination of perrault and grimm
baked a sudden roof, and merit was in its
torches floating distantly the skin
to perish in uttered wings

winged while merchandising its goeroe
all the pale symbols, the bleeding
clouds, brought in the same time
back the silence, as mineral locks
in dubious thoughts, insubordination
spreaded a field, a gloom not
to be historiced with the tongue

This very moment the princess has lost
sight but to be redeemed with the sword
in the eleventh arm, she’ll drop her
eyes, and expression will remorse,
curled up at her back, she’ ll be
naked, an inmate of intimate ‘Lares’

so all loved and living,
tell her what to see…

Judith V.

Amsterdam NL - December 14th 2008

Nerves

Wednesday, December 10th, 2008

neen, niet de woorden, de minnaars van de tong
razende snelwegen vol leugens; ik heb ze nooit weersproken
toen ze zongen
zestien sonetten in het licht van mijn schuld; bestond ‘t
stokstijf de ouderdom binnen te laten

gebaar in de zee’engte van de tijd, de tong gekuist door
stembanden
die de keel toeknijpen met vaste hand, mijn land is koud
geworden
de oren zijn afgevroren, en tranen vormen druppels tijd
zonder blikken of blozen

waar ijsbloemen in het hart de graagte knakken waarin de
schuchtere doolt
te ontsnappen aan eenzame nood die, opgeraakt, manshoog
braakt
in de ontzielde verlorenheid waar kort een lichaam stond,
eerstelijns genaakt

gesloten monden leiden om de tuin, wat vragend het kind
wilde weten.
raakt in mesthopen verdorven, terwijl in de rook de gewezene
begint te verdwazen

Tellen in de wind, aanschieten de dreef der wanhoop,’t
smal kind,
dat in laster uit eigener beweging waarheid herziet, die
zien onwaardig was
en zien van god, vooronderstelt, dat wat gespeld is, een
zicht voorspelt
leger dan mozes mandje, zwaarder aan een arm, dan in het
hart.

Dwaalwegen richten een ruggegraat op, te jong in deze
zitting;
die het eindeloos gaf, wat het niet wilde en in de
tussenkomst
niet veelden wat zich vervangen wist uit zich zelven,
tot een ander, een vreemde, een geheel gemaakt naar het
moment, dat de onverdeelde tijd
het baren van de ontelbaren toevertrouwen liet voor delven
te vernietigd

in verwachting van licht, rollen welkomstgolven rollen
onderaars
waar het duister en onzalig was, uit spelonken stap ik in
de warme huid van mijn vinder,
een gebed tot met de nakende neiging de ander land bereikt.

daar is de timmerman die schuilt op de richels vertrouwen
die het houten engelenkind veinst in de vezels van zijn
wording,
schielijk met de kwast ondergaand in de nerven van zijn ziel

tot een zon in een inrichting beland waar licht op het kind
van Oef,
zonder maantjes in zijn ogen valt maar gewoon, zonder
knippering
lobbig overtogen blijft staan, zijn zwijgen opbaart, tussen
kaarslicht en schaduw
uit zijn bestaan vol misvattingen, de zee’egels raapt voor
de wimpers

nerves

Tuesday, December 9th, 2008

neen, niet de woorden, de minnaars van de tong
razende snelwegen vol leugens; ik heb ze nooit weersproken
toen ze zongen
zestien sonetten in het licht van mijn schuld; bestond t
stokstijf de ouderdom binnen te laten

gebaar in de zeeengte van de tijd, de tong gekuist door
stembanden
die de keel toeknijpen met vaste hand, mijn land is koud
geworden
de oren zijn afgevroren, en tranen vormen druppels tijd
zonder blikken of blozen

waar ijsbloemen in het hart de graagte knakken waarin de
schuchtere doolt
te ontsnappen aan eenzame nood die, opgeraakt, manshoog
braakt
in de ontzielde verlorenheid waar kort een lichaam stond,
eerstelijns genaakt

gesloten monden leiden om de tuin, wat vragend het kind
wilde weten.
raakt in mesthopen verdorven, terwijl in de rook de gewezene
begint te verdwazen

Tellen in de wind, aanschieten de dreef der wanhoop,t
smal kind,
dat in laster uit eigener beweging waarheid herziet, die
zien onwaardig was
en zien van god, vooronderstelt, dat wat gespeld is, een
zicht voorspelt
leger dan mozes mandje, zwaarder aan een arm, dan in het
hart.

Dwaalwegen richten een ruggegraat op, te jong in deze
zitting;
die het eindeloos gaf, wat het niet wilde en in de
tussenkomst
niet veelden wat zich vervangen wist uit zich zelven,
tot een ander, een vreemde, een geheel gemaakt naar het
moment, dat de onverdeelde tijd
het baren van de ontelbaren toevertrouwen liet voor delven
te vernietigd

in verwachting van licht, rollen welkomstgolven rollen
onderaars
waar het duister en onzalig was, uit spelonken stap ik in
de warme huid van mijn vinder,
een gebed tot met de nakende neiging de ander land bereikt.

daar is de timmerman die schuilt op de richels vertrouwen
die het houten engelenkind veinst in de vezels van zijn
wording,
schielijk met de kwast ondergaand in de nerven van zijn ziel

tot een zon in een inrichting beland waar licht op het kind
van Oef,
zonder maantjes in zijn ogen valt maar gewoon, zonder
knippering
lobbig overtogen blijft staan, zijn zwijgen opbaart, tussen
kaarslicht en schaduw
uit zijn bestaan vol misvattingen, de zeeegels raapt voor
de wimpers

Epifanie

Sunday, December 7th, 2008

oh, mijn blauwe heer, dit is wat ik ben,
alles wat ik ben, en nu klaar om te sterven
ieder moment, laat mijn verdere bestaan
de tempel worden van deze vervulling

oh, heer van het licht, ik ondervind de
pijn van het leven op het blad dat zich
voor mij neervleit, deze papierslinger voor
mijn gemaal die mij zijn vertrek vergunt

ieder moment van het leven zal worden
opgevraagd, en de voldragen verwezenlijking
vormen in de macht uwer ogen waarin wij verschijnen
in de honger en de dorst van uw openbaring