Archive for January, 2009

ruine

Monday, January 26th, 2009

O milord, gebroken ben ik,
versplinterd en verscheurd
op alle recepten huilen de doktoren
in hun drankjes schuilt de nacht
de gestokte adem
van de ouderdom,
vliegt voorbij een zwarte raaf;
de bij vergissing
gevankelijk overgeblevene
uit de zondvloed,
gestrand in zijn zege
met al het mijne
nu behorend aan hem
tussen eindeloos rondgedragen
takjes
De ellende
die zwijgend ligt opgebaard,
onder al het nieuwe,
dat verkondigd word
Vogel
vleugelloos,
uit de worp
gestort,
schrapen asfaltbloemen
je snavel,
naar de winden

O milady, afgereten ben ik
van het mensenleven,
toch word ik
weerhouden om in eenmaal
te sterven, want
het besef dat, de dood in beetjes,
de ontering rekt
de schulp gedoogt
waaruit ik spreek,
vreest niet voor niets
de nieuwe orders met pijn
en onverteerde prooi
mijn ziel is stuk
mijn zicht is kaal
en vergeten wegen
slaan de beelden uit mijn ogen
van geseling.
en breekt de dam
voor uitzinnig
besmeurde rituelen
net als de rot in het hart
dat mijn handen tillen

de genadige leprose
op de sneeuwtop
van schuchtere wandaden
baart in mijn hele pogen
de halve lichamen
omgeven met luister
en dolend leven
dat nog broeierig in dode oogkassen
naar ontraadseling zoekt
van voelen en ervaren van
mijn verkwijnd schip
het was wel verstaanbaar
maar…slechts in
de sterke onderstroom
van vergankelijkheid,
te betomen

Freunde

Tuesday, January 6th, 2009

Mijn bord bleef leeg toen zijn naam werd uitgekwaakt.

Onmacht veelt nu de naargeestige spiegel van schuld,
de belediging stipt kwade sprookjes, in het derde oog.

De vriend, in bed geschoten met bleke herinneringen,
is de heerser van het bos.

Wanneer het loof is afgekauwd
als door schapen het hoge gras
blijven boomhoog de vragen
en trekken narren dansend
naar het sapgroene kruis.

Ware niet mijn tenen gekromd
dan viel ik uit de boom des levens
met de stuit in de grond,

daar,
waar de roos zich in het hart boort
het smekend wetten van tranen
lanen afloopt op wangen
tot het verdriet zich heiligt,
is mijn god.

Toch vergrepen monden zich
aan het levende lichaam dat
nors afstevenend op het vuur,
met hetzelfde loopje
als de bek(r)oo(n)de demon,
in zwarte brokken geschilde huid ontvlamt
en vlagen het kermen vervoert
tot (aan) de rand van de dood,
waar de vereffening verast

Gestorven is hij.

In de dalen, mijmert een bede nog naar de zonzijde,
haar warme lei voelt passende woorden

Een vogel wenkt, vrij in vangen,

vlerken vol monologen, een ruchtbare tocht
die nergens zoveel schade brengt dan aan de ziel,

Het aardse, dat geklemd tussen de kaken
in de hoogte wordt losgelaten
(als) uit de lucht gevallen keien des doods.

Judith V. - 5 Januari 2009