freunde

Mijn bord bleef leeg
toen zijn naam werd uitgekwaakt,
onmacht veelt nu
de naargeestige spiegel
van schuld, de belediging
stipt kwade sprookjes, in het derde oog,

de vriend, in bed geschoten
met bleke herinneringen is de heerser
van de bos
wanneer het loof.is afgekauwd
als door schapen het hoge gras
blijven boomhoog de vragen;
trekken de dansende nar
naar het sapgroene kruis.

Waren niet mijn tenen gekromd
dan viel ik uit de boom des levens
met de stuit in de grond,
daar waar de roos zich in het hart boort
het smekend wetten van tranen
lanen afloopt op wangen
tot het verdriet, zich heiligt
is mijn god,

toch vergrepen monden zich
aan het levende lichaam dat
nors afstevenend op het vuur,
met hetzelfde loopje
als de bekoorde demon,
in zwarte brokken geschilde huid ontvlamt
en vlagen het kermen vervoert
tot de rand van de dood,
waardigt de vereffening met de as

Gestorven is hij
In de dalen, mijmert een bede nog
naar de zonzijde, haar warme lei
voelt passende woorden
wenkt een vogel
, vrij in het vangen, vlerken,
vol monologen, ruchtbare tocht
die nergens zoveel schade brengt
dan aan de ziel,
het aardse, dat geklemd tussen de kaken
in de hoogte wordt losgelaten
uit de lucht gevallen
keien des doods.