Freunde
Mijn bord bleef leeg toen zijn naam werd uitgekwaakt.
Onmacht veelt nu de naargeestige spiegel van schuld,
de belediging stipt kwade sprookjes, in het derde oog.
De vriend, in bed geschoten met bleke herinneringen,
is de heerser van het bos.
Wanneer het loof is afgekauwd
als door schapen het hoge gras
blijven boomhoog de vragen
en trekken narren dansend
naar het sapgroene kruis.
Ware niet mijn tenen gekromd
dan viel ik uit de boom des levens
met de stuit in de grond,
daar,
waar de roos zich in het hart boort
het smekend wetten van tranen
lanen afloopt op wangen
tot het verdriet zich heiligt,
is mijn god.
Toch vergrepen monden zich
aan het levende lichaam dat
nors afstevenend op het vuur,
met hetzelfde loopje
als de bek(r)oo(n)de demon,
in zwarte brokken geschilde huid ontvlamt
en vlagen het kermen vervoert
tot (aan) de rand van de dood,
waar de vereffening verast
Gestorven is hij.
In de dalen, mijmert een bede nog naar de zonzijde,
haar warme lei voelt passende woorden
Een vogel wenkt, vrij in vangen,
vlerken vol monologen, een ruchtbare tocht
die nergens zoveel schade brengt dan aan de ziel,
Het aardse, dat geklemd tussen de kaken
in de hoogte wordt losgelaten
(als) uit de lucht gevallen keien des doods.
Judith V. – 5 Januari 2009