dagen van goud

Waar zijn de gouden dagen, Waren ze er ooit.
spelende kinderen in de nacht met lichtjes van onsterfelijkheid,
ontelbare schedeltjes gekraakt als noten bij de uitdrijving der geboorte

lieflijke tussen de zachte bloemen spelende verlangens van de kindertijd

nijver en arbeidzaam gewend naar de verte van uitgestrekte mogelijkheden

verworven bij de uitvoeringen van de ledematen het toegenomen gezag over
het ik
dat van overmeestering de lering trekt dat niets zomaar geschiedt, want
de plaatshebbende
ik is bespottelijk onwillig waar het een uitgave betreft van het wordend
zelf

hemelen vallen uit de lucht, zomaar op de graven van geluk want wat
kunnen
mijn bouwsels anders zijn over de structuren van de verbeelding waarin
mijn spelen leeft
van het lege ogenblik tot de eeuwen erachter sterken onvolgroeide
lichamen zich door
van de afzet en het neerkomen het ene te begroeten dat uitblinkt in het
jonge hart,

het luidop roepen van wat het kan en doet en in een oogwenk de velen
het geringschatten van alle beduiding voor te zetten op hetzelfde menu
In dit gespan blijf ik draven, vermeend gelukkig tot ik stralend tot
stilstand
kom, want wat mij heeft voortgedreven met de andere ingespannen
zendelingen

was de tribune van alle zielen, of de meesten, die naar boven komen tot
aan de oppervlakte, de kuur in volharding wordt uitgevoerd, uit wat
in gedrevenheid gezocht, in bedrevenheid werd aangestuurd
terwijl het rad in draaiing komt, is teugenvol lachen de omslag
lotgevallig