Manna
Lord, unlock me
ik ben zinkende op de rivier van hoop,
meesmuilend met het spiegelbeeld dat het oppervlak
waaronder ik leef toont, mijn mismaakte geest
begraven in het graf van mijn lichaam, kwelders van mijn kwade ik,
het bungelen van een telescopische dood aan mijn tenen.
Lord save me,
ik geef de geest de verzamelnaam van pijn,
in het hart, waar de rattekoning woont, levenloos als de choreografie van
de tijd,
in de longen, de weg van luchthartige monddode herinneringen,
in de ziel ontstaan uit het doorliggen en opgebraakte lakens
Lord, send me a prayer
Ik lik aan de bron, vele vindplaatsen verder dan het rijk vol stromen,
en ingeslikte tongen houden me vast voor het zich kan openbaren
Het kind dat stikt in de kelders van de slaap en uit het wandkastje
de wonderen haalt van het oude afgrijzen: de poppen van haar oma.
Uit het zaad ben ik geroeid, een uitroeiing van al wat wist.
Mijn gedachten onder poolkap van de tijd, gewervelde kalligrafie
van gen en zonlicht, te veel licht om lief te hebben.
Weg is zij, uiteengegaan in wegen naar anderen, onder het geslacht
van verdreven stammen paart haar stem het volstemmige lied
Lord, Mother
voel hoe innig ik liefheb wat ik niet ken, want ik was kind van de
vissemaagd
dat de droogte over zich heen geworpen, als het stof van mijn wezen,kreeg
een dans in opeenvolging, een boek van delen, de dwaalwegen tot de as,
Goedheid is de geur van mijn god, onsterfelijk zijn edele delen
Ik, slaap de dood die ik vrees
terwijl de scholen samenzwemmen om het kind te leren,
de tijd te doden in de gangbare kennis van overlevering die overleefd
Het meisje met haren aan ogen die slapen, in deerniswekkende onbestane
volieres
De ceder die opgroeit uit haar navel, de wortels vol van mijn eenzaamheid,
de moeder die haar wolvacht scheert voor de vreugde van een naakte
aanschouwing,
de borrels van lucht in de schacht van het kwaad, de netelige sintel van
vervoering.
De liksteen van de maagd het klokkend laatste woord van de erven,
Man zonder erf, kom tot god …klief de zwaarte.