Born Free
Een gevangene van geboorte, draaiend in een kooi,
een oude code, als een ijzeren vleugel aan de lente
mooi in een windsel van verre dagen.
Vogelkind, gevallene, uit saamhorige trog schenkt leven pijn,
baar nogmaals mijn lijf, deze zwam van stijfsel,
mijn voeten plooien in het licht dat haar uitgave
schijnt van een gebroken waaier, waar van geest
maar besproken door schemerige uitmergeling
Zij zaait en loot en haar toeschietelijk engel
voelt nimmer hoop, waar het wenen aanzwelt
en het graf een lichaam zoekt van de mijnen
voor deze onverlaat, bevallen van te grove ontluistering.
een beenderlichaam van soorten in ijs
Bemin mij als een pasgeborene, een schedel
van zedige mijmering aan karige hulpeloos gesloten vingers,
de wonden bloeden een nieuwe geur, zoetig lauw de gooi
naar de tovergang uit verzworven tuinen zuchtend,
bol staan de leugens, als tenen van heksenvoeten
Uilen roepen van zinderende uren,
de nachttijd van mijn vergankelijkheid glijdt
op de stralen van de zon, voor het wild verwekte dier