horsemanship

voorige levens worden opzijgeschoven
gordijnen, met in het vensterraam
de in brandende vlammen stervende pose
van het wijdbeense, waarin het manzijn verdwijnt,
een licht gevangen in een gesloten glazen
pot dooft, zo is gedoofd de stem waarin spreek,
dof en toegeknepen voor de
woestijnstormen die mij schurend binnenvlucht om de omtrek
van mijn lichaam een woede verstuifdt als
een vilein grossier, die de armzaligheid ontvangt
van het ongekende geblust in het hart
waar liefde nimmer weerkomt, en de zon de blakeringen schuwt

Want in vuren worden niet de zielen
verwoest, die aangalopperen op het kruis als was het
de wassende maan van woorden die
huichelende vloek van de man die dromend zijn leven
geeft om te rijzen boven de honger van
zijn ‘wellekome’ de peuter die kruipt een bestaansgrond
te arm om het zaad te bergen van
ongestelpte herinneringen, om te kiemen wat witheet laaiend
de gebreken acht die in zijn hoofd
bezoldigen en de burcht vormen waarin de dood dienstbaar
wacht als een kruier op de bagage wacht,
tijdtemmer in beraad met de overtolligen van plaats,

God is vertrokken uit mijn bestaan en
toch is hij verblijfplaats gebleven voor de daden die ik
verlang als het tellen van de ribben
een aanleiding die ik kouw om wat uit mij genomen wil
de mogelijkheid van voltrekking, de
aangespannen adem een spier in trilling brengt die klaar
is voor de afzet, gereed om los te
komen in iets te ontsnappen wat onnavolgbaar is, en zacht als
de vacht van het paard dat in mijn
bestorming geen geweld voelt maar waarheid’s lichte paden,
zilverig fluisterend in de roskam die
in mijn handen de adering in alomtegenwoordigheid