flygirl

flygirl,

en ik werd blind van onvoorziene gedachten, draaiend als
schroeven van de tijd
oud en ontmand, de kin van schaamteloos verlangen op het
borstbeen geklampt

het geluk dat niet was is voorbij, ten onder gegaan aan
zijn vermeende kracht
want de heer der vernietiging zond mij zijn paard dat ik
niet herkende omdat het
zo zachtmoedig ritselde in de ingewanden waar opgespaard
verdriet volgezogen
ligt met ongehoorde fluittonen, zacht gesneden als een
witte boterham met aardbeien
die onverschrokken opgehoest boven een donker gat
terwijl het zonlicht buiten verdwaald

en ik werd blind gezadeld op het geluk, het danste
zwevend licht, met een schouderophalen
naar het keren van de wind die nu uit het oosten rukt
aan mijn staart terwijl de draak gebukt omziet
naar het schoeisel dat de aarde smeekt om te leven,
trippelend bloedrode stippen kust naar
de verloren familie, leden sust met een deinend
mededelen van rust aan de doden

en ik lach in de schuren van het verstand, waar het werk
onafgebroken vergt dat voorwaartse
oren de geluiden der stemmen met vilt beslaan, zo
geweest zijn de klanken gegoten in stem,
is de geur die herinneringen dragen weldadig voor de
nakomelingen opgezonden uit
hof der verbeelding, waar het vliegend kind de manen
streelt van haar schimmelziel