freunde

Mijn bord bleef leeg
toen zijn naam werd uitgekwaakt,
onmacht veelt nu
de naargeestige spiegel
van schuld, de belediging
stipt kwade sprookjes, in het derde oog,

de vriend, in bed geschoten
met bleke herinneringen is de heerser
van de bos
wanneer het loof.is afgekauwd
als door schapen het hoge gras
blijven boomhoog de vragen;
trekken de dansende nar
naar het sapgroene kruis.

Waren niet mijn tenen gekromd
dan viel ik uit de boom des levens
met de stuit in de grond,
daar waar de roos zich in het hart boort
het smekend wetten van tranen
lanen afloopt op wangen
tot het verdriet, zich heiligt
is mijn god,

toch vergrepen monden zich
aan het levende lichaam dat
nors afstevenend op het vuur,
met hetzelfde loopje
als de bekoorde demon,
in zwarte brokken geschilde huid ontvlamt
en vlagen het kermen vervoert
tot de rand van de dood,
waardigt de vereffening met de as

Gestorven is hij
In de dalen, mijmert een bede nog
naar de zonzijde, haar warme lei
voelt passende woorden
wenkt een vogel
, vrij in het vangen, vlerken,
vol monologen, ruchtbare tocht
die nergens zoveel schade brengt
dan aan de ziel,
het aardse, dat geklemd tussen de kaken
in de hoogte wordt losgelaten
uit de lucht gevallen
keien des doods.

duisternis

Zwarte ruggen, ontbreekt ruiterlijk de bekentenis,
van hoop, dan voert niets de ogen verder met staren tot het
weten kraakt,

Een weerkaatsing op de hoge poten, van ongelijk besef

Zij, die geruststellend met een knikken, al afraden te kennen
voeden het blinde kind hun getuigenis voordat ze het geleiden
voorbij de bron achter de bomen voelt het licht,

in de geweien brandt een zon,
(en) niemand wist het

Het vlees waarin de spraak is ontketend
is eender met het hart weggekauwd

geleend, om nimmer terug te geven, de onherroepelijkheid
verstomt voor het de mond raakt

met de wind wanen zij dicht de gaten
tot het kieren begint in hun eigen ogen

Het kind is dan de ziel ontwaakt in de dove muren,
waarlangs het liep en leunde,

tot in de diepte van het heulen,
voor de afstand een weerzien opvat,

dat in de eerste schillen is ontwaart
als (door) de stijve muren het weten
van de hoge ladder openbreekt,

Pastimes of a Princess in a Bibliographical Workout – continued

In the palaster of words,
a princess has chased the apes
at the monastery of men insulted, but
arrival has made for her a god
to be waisted, sinn has to be reconsidered

she ain’t alone, causes refilled
with splendour, as quoted by an inner rotation
for the sublime, as a sunshined aboriginal
climbing the whole rooted way, for evolution
has waited to be have sustained the glorious words

And no one believes, she will revive…
through this membership
insurgents, to be wittnessed
in a paramount hight, smoke kindled
food has left her existence

astray the veiled sky
its submittance tressfolded
legs to be on deliverance
twice as long to running inhabitance
love dared to sleep, and sleep insane

the combination of perrault and grimm
baked a sudden roof, and merit was in its
torches floating distantly the skin
to perish in uttered wings

winged while merchandising its goeroe
all the pale symbols, the bleeding
clouds, brought in the same time
back the silence, as mineral locks
in dubious thoughts, insubordination
spreaded a field, a gloom not
to be historiced with the tongue

This very moment the princess has lost
sight but to be redeemed with the sword
in the eleventh arm, she’ll drop her
eyes, and expression will remorse,
curled up at her back, she’ ll be
naked, an inmate of intimate ‘Lares’

so all loved and living,
tell her what to see…

Judith V.

Amsterdam NL – December 14th 2008 Sumycin

Nerves

neen, niet de woorden, de minnaars van de tong
razende snelwegen vol leugens; ik heb ze nooit weersproken
toen ze zongen
zestien sonetten in het licht van mijn schuld; bestond ‘t
stokstijf de ouderdom binnen te laten

gebaar in de zee’engte van de tijd, de tong gekuist door
stembanden
die de keel toeknijpen met vaste hand, mijn land is koud
geworden
de oren zijn afgevroren, en tranen vormen druppels tijd
zonder blikken of blozen

waar ijsbloemen in het hart de graagte knakken waarin de
schuchtere doolt
te ontsnappen aan eenzame nood die, opgeraakt, manshoog
braakt
in de ontzielde verlorenheid waar kort een lichaam stond,
eerstelijns genaakt

gesloten monden leiden om de tuin, wat vragend het kind
wilde weten.
raakt in mesthopen verdorven, terwijl in de rook de gewezene
begint te verdwazen

Tellen in de wind, aanschieten de dreef der wanhoop,’t
smal kind,
dat in laster uit eigener beweging waarheid herziet, die
zien onwaardig was
en zien van god, vooronderstelt, dat wat gespeld is, een
zicht voorspelt
leger dan mozes mandje, zwaarder aan een arm, dan in het
hart.

Dwaalwegen richten een ruggegraat op, te jong in deze
zitting;
die het eindeloos gaf, wat het niet wilde en in de
tussenkomst
niet veelden wat zich vervangen wist uit zich zelven,
tot een ander, een vreemde, een geheel gemaakt naar het
moment, dat de onverdeelde tijd
het baren van de ontelbaren toevertrouwen liet voor delven
te vernietigd

in verwachting van licht, rollen welkomstgolven rollen
onderaars
waar het duister en onzalig was, uit spelonken stap ik in
de warme huid van mijn vinder,
een gebed tot met de nakende neiging de ander land bereikt.

daar is de timmerman die schuilt op de richels vertrouwen
die het houten engelenkind veinst in de vezels van zijn
wording,
schielijk met de kwast ondergaand in de nerven van zijn ziel

tot een zon in een inrichting beland waar licht op het kind
van Oef,
zonder maantjes in zijn ogen valt maar gewoon, zonder
knippering
lobbig overtogen blijft staan, zijn zwijgen opbaart, tussen
kaarslicht en schaduw
uit zijn bestaan vol misvattingen, de zee’egels raapt voor
de wimpers

nerves

neen, niet de woorden, de minnaars van de tong
razende snelwegen vol leugens; ik heb ze nooit weersproken
toen ze zongen
zestien sonetten in het licht van mijn schuld; bestond t
stokstijf de ouderdom binnen te laten

gebaar in de zeeengte van de tijd, de tong gekuist door
stembanden
die de keel toeknijpen met vaste hand, mijn land is koud
geworden
de oren zijn afgevroren, en tranen vormen druppels tijd
zonder blikken of blozen

waar ijsbloemen in het hart de graagte knakken waarin de
schuchtere doolt
te ontsnappen aan eenzame nood die, opgeraakt, manshoog
braakt
in de ontzielde verlorenheid waar kort een lichaam stond,
eerstelijns genaakt

gesloten monden leiden om de tuin, wat vragend het kind
wilde weten.
raakt in mesthopen verdorven, terwijl in de rook de gewezene
begint te verdwazen

Tellen in de wind, aanschieten de dreef der wanhoop,t
smal kind,
dat in laster uit eigener beweging waarheid herziet, die
zien onwaardig was
en zien van god, vooronderstelt, dat wat gespeld is, een
zicht voorspelt
leger dan mozes mandje, zwaarder aan een arm, dan in het
hart.

Dwaalwegen richten een ruggegraat op, te jong in deze
zitting;
die het eindeloos gaf, wat het niet wilde en in de
tussenkomst
niet veelden wat zich vervangen wist uit zich zelven,
tot een ander, een vreemde, een geheel gemaakt naar het
moment, dat de onverdeelde tijd
het baren van de ontelbaren toevertrouwen liet voor delven
te vernietigd

in verwachting van licht, rollen welkomstgolven rollen
onderaars
waar het duister en onzalig was, uit spelonken stap ik in
de warme huid van mijn vinder,
een gebed tot met de nakende neiging de ander land bereikt.

daar is de timmerman die schuilt op de richels vertrouwen
die het houten engelenkind veinst in de vezels van zijn
wording,
schielijk met de kwast ondergaand in de nerven van zijn ziel

tot een zon in een inrichting beland waar licht op het kind
van Oef,
zonder maantjes in zijn ogen valt maar gewoon, zonder
knippering
lobbig overtogen blijft staan, zijn zwijgen opbaart, tussen
kaarslicht en schaduw
uit zijn bestaan vol misvattingen, de zeeegels raapt voor
de wimpers

Epifanie

oh, mijn blauwe heer, dit is wat ik ben,
alles wat ik ben, en nu klaar om te sterven
ieder moment, laat mijn verdere bestaan
de tempel worden van deze vervulling

oh, heer van het licht, ik ondervind de
pijn van het leven op het blad dat zich
voor mij neervleit, deze papierslinger voor
mijn gemaal die mij zijn vertrek vergunt

ieder moment van het leven zal worden
opgevraagd, en de voldragen verwezenlijking
vormen in de macht uwer ogen waarin wij verschijnen
in de honger en de dorst van uw openbaring

flygirl

flygirl,

en ik werd blind van onvoorziene gedachten, draaiend als
schroeven van de tijd
oud en ontmand, de kin van schaamteloos verlangen op het
borstbeen geklampt

het geluk dat niet was is voorbij, ten onder gegaan aan
zijn vermeende kracht
want de heer der vernietiging zond mij zijn paard dat ik
niet herkende omdat het
zo zachtmoedig ritselde in de ingewanden waar opgespaard
verdriet volgezogen
ligt met ongehoorde fluittonen, zacht gesneden als een
witte boterham met aardbeien
die onverschrokken opgehoest boven een donker gat
terwijl het zonlicht buiten verdwaald

en ik werd blind gezadeld op het geluk, het danste
zwevend licht, met een schouderophalen
naar het keren van de wind die nu uit het oosten rukt
aan mijn staart terwijl de draak gebukt omziet
naar het schoeisel dat de aarde smeekt om te leven,
trippelend bloedrode stippen kust naar
de verloren familie, leden sust met een deinend
mededelen van rust aan de doden

en ik lach in de schuren van het verstand, waar het werk
onafgebroken vergt dat voorwaartse
oren de geluiden der stemmen met vilt beslaan, zo
geweest zijn de klanken gegoten in stem,
is de geur die herinneringen dragen weldadig voor de
nakomelingen opgezonden uit
hof der verbeelding, waar het vliegend kind de manen
streelt van haar schimmelziel

reminiscent

In de behouden nesteling, van de kinderziel ,
zijn gelijkenissen door het lichaam getrokken
het eenzaam achterlatend in zijn eigen kooi
verstikkingsdoden hebben geuren aangvoerd
die het jonge hart het kwaad insleuren, zijn beproevingen
ter bezichting gesteld in de koude lege nis het ziellicht

levenslustigen overtroeven elkaar in nalatigheden,
de snerpende spelen kiezen zij uit de tranen die
namen vergeten, een opgetogen monstering van overvloeden,
die bergafwaartse bezieling, een sleep van spijtwegen

maar vertrouwen, hoe zeer het is verwond, mengt onverslagen
het palet van betekenissen, de opgebroken oude weg afgaand,
zonder te sterven, hel en hemel betrekken een
sprookje, vanachter zichzelf ontvouwende kolenlagen
reikt de eeuwige slaap tot het werend beeld van bewaarheid

opgeschrokken uit de tast, opent de levende mond de geliefde

die verstijfd en zelfverzonken zijwaarts rolt, mikado van ledematen
de stenen gedaante brekend, in het heft zijn zwaard met beenderen
hoort, en zingend in wonden wil dopen, de eer die stierf .

Vervaagd haar beeld niet de droefenis, de band met de tijd
is het schoorvoeten van de rede waarin het hoofd de huilhongert naar
de gladde kaart van groeiende zaden, de tijden leertijd zijn

zielen hovenieren het nekbrekende verwijlen
in stemmen te spreken beloftes bloeit licht, graag willen

graag huwen de prinsen de deerniswekkendste zuivere ziel
die op het voorhof van de portalen haar voet richt
op de genadeblik, en de verwarmende hoop van de gebeden
de heilzame, de kus van de geest weet te verwerven

Om mij heen zwerven honden in hun dood spoor
de kragen van hun puin sluiten mij in , tot een lichaamloze

eenheid, de goud gesmolten enkeling…

horsemanship

voorige levens worden opzijgeschoven
gordijnen, met in het vensterraam
de in brandende vlammen stervende pose
van het wijdbeense, waarin het manzijn verdwijnt,
een licht gevangen in een gesloten glazen
pot dooft, zo is gedoofd de stem waarin spreek,
dof en toegeknepen voor de
woestijnstormen die mij schurend binnenvlucht om de omtrek
van mijn lichaam een woede verstuifdt als
een vilein grossier, die de armzaligheid ontvangt
van het ongekende geblust in het hart
waar liefde nimmer weerkomt, en de zon de blakeringen schuwt

Want in vuren worden niet de zielen
verwoest, die aangalopperen op het kruis als was het
de wassende maan van woorden die
huichelende vloek van de man die dromend zijn leven
geeft om te rijzen boven de honger van
zijn ‘wellekome’ de peuter die kruipt een bestaansgrond
te arm om het zaad te bergen van
ongestelpte herinneringen, om te kiemen wat witheet laaiend
de gebreken acht die in zijn hoofd
bezoldigen en de burcht vormen waarin de dood dienstbaar
wacht als een kruier op de bagage wacht,
tijdtemmer in beraad met de overtolligen van plaats,

God is vertrokken uit mijn bestaan en
toch is hij verblijfplaats gebleven voor de daden die ik
verlang als het tellen van de ribben
een aanleiding die ik kouw om wat uit mij genomen wil
de mogelijkheid van voltrekking, de
aangespannen adem een spier in trilling brengt die klaar
is voor de afzet, gereed om los te
komen in iets te ontsnappen wat onnavolgbaar is, en zacht als
de vacht van het paard dat in mijn
bestorming geen geweld voelt maar waarheid’s lichte paden,
zilverig fluisterend in de roskam die
in mijn handen de adering in alomtegenwoordigheid

bison

Gevallen uit de bijbelse grandeur, gefrituurde
voedselschatten, de vis
gestolde hersenen, de laatste dierbare die het, te
verlegen om te sterven,
gelukt voort te stevenen in de praalgang van de tijd, in
het gelid van
van verstijvingen der geest, grommende dagen als barende
kluizen

Wie zij was de prinses in de schoot van de lemuren,
pistool dat
gevuurd gaat onverkort tot in de vergrovingen waar
sporen brandbaar
vingerhoge schittering bedrust bergafwaarts gaat het met
haar, de steen
is geen geschikte vorm voor bezieling, wondvlees krijgt
grip op het been

Wolven huiveren als zij haar ogen zien en daarin de
tekenen van dronken
van bloed, verslonden door beten in het altaar,
schuwdoof verdiept in het verbond
een tel voor de kleppers klinken aan voeten van afschuw
, verouderd de woestein
het hart, teugenvol van ingewanden de zinkende kolom
toesnellend, het ribbenhemd…

De muren slaan terug, als de belofte die ik verbrak, is
het kralensnoer erfdeel
van ik, ik die aanbeden heb wat mij in bezit heeft
genomen, Ismael wrijf je voet in het
zand, want zand ben ik geworden…gebroken op het punt
van verschijnen,
de bal in de put, net als de lijven van de pop,
gewetenloos vlinder ik naar god