nerves

neen, niet de woorden, de minnaars van de tong
razende snelwegen vol leugens; ik heb ze nooit weersproken
toen ze zongen
zestien sonetten in het licht van mijn schuld; bestond t
stokstijf de ouderdom binnen te laten

gebaar in de zeeengte van de tijd, de tong gekuist door
stembanden
die de keel toeknijpen met vaste hand, mijn land is koud
geworden
de oren zijn afgevroren, en tranen vormen druppels tijd
zonder blikken of blozen

waar ijsbloemen in het hart de graagte knakken waarin de
schuchtere doolt
te ontsnappen aan eenzame nood die, opgeraakt, manshoog
braakt
in de ontzielde verlorenheid waar kort een lichaam stond,
eerstelijns genaakt

gesloten monden leiden om de tuin, wat vragend het kind
wilde weten.
raakt in mesthopen verdorven, terwijl in de rook de gewezene
begint te verdwazen

Tellen in de wind, aanschieten de dreef der wanhoop,t
smal kind,
dat in laster uit eigener beweging waarheid herziet, die
zien onwaardig was
en zien van god, vooronderstelt, dat wat gespeld is, een
zicht voorspelt
leger dan mozes mandje, zwaarder aan een arm, dan in het
hart.

Dwaalwegen richten een ruggegraat op, te jong in deze
zitting;
die het eindeloos gaf, wat het niet wilde en in de
tussenkomst
niet veelden wat zich vervangen wist uit zich zelven,
tot een ander, een vreemde, een geheel gemaakt naar het
moment, dat de onverdeelde tijd
het baren van de ontelbaren toevertrouwen liet voor delven
te vernietigd

in verwachting van licht, rollen welkomstgolven rollen
onderaars
waar het duister en onzalig was, uit spelonken stap ik in
de warme huid van mijn vinder,
een gebed tot met de nakende neiging de ander land bereikt.

daar is de timmerman die schuilt op de richels vertrouwen
die het houten engelenkind veinst in de vezels van zijn
wording,
schielijk met de kwast ondergaand in de nerven van zijn ziel

tot een zon in een inrichting beland waar licht op het kind
van Oef,
zonder maantjes in zijn ogen valt maar gewoon, zonder
knippering
lobbig overtogen blijft staan, zijn zwijgen opbaart, tussen
kaarslicht en schaduw
uit zijn bestaan vol misvattingen, de zeeegels raapt voor
de wimpers

Epifanie

oh, mijn blauwe heer, dit is wat ik ben,
alles wat ik ben, en nu klaar om te sterven
ieder moment, laat mijn verdere bestaan
de tempel worden van deze vervulling

oh, heer van het licht, ik ondervind de
pijn van het leven op het blad dat zich
voor mij neervleit, deze papierslinger voor
mijn gemaal die mij zijn vertrek vergunt

ieder moment van het leven zal worden
opgevraagd, en de voldragen verwezenlijking
vormen in de macht uwer ogen waarin wij verschijnen
in de honger en de dorst van uw openbaring

flygirl

flygirl,

en ik werd blind van onvoorziene gedachten, draaiend als
schroeven van de tijd
oud en ontmand, de kin van schaamteloos verlangen op het
borstbeen geklampt

het geluk dat niet was is voorbij, ten onder gegaan aan
zijn vermeende kracht
want de heer der vernietiging zond mij zijn paard dat ik
niet herkende omdat het
zo zachtmoedig ritselde in de ingewanden waar opgespaard
verdriet volgezogen
ligt met ongehoorde fluittonen, zacht gesneden als een
witte boterham met aardbeien
die onverschrokken opgehoest boven een donker gat
terwijl het zonlicht buiten verdwaald

en ik werd blind gezadeld op het geluk, het danste
zwevend licht, met een schouderophalen
naar het keren van de wind die nu uit het oosten rukt
aan mijn staart terwijl de draak gebukt omziet
naar het schoeisel dat de aarde smeekt om te leven,
trippelend bloedrode stippen kust naar
de verloren familie, leden sust met een deinend
mededelen van rust aan de doden

en ik lach in de schuren van het verstand, waar het werk
onafgebroken vergt dat voorwaartse
oren de geluiden der stemmen met vilt beslaan, zo
geweest zijn de klanken gegoten in stem,
is de geur die herinneringen dragen weldadig voor de
nakomelingen opgezonden uit
hof der verbeelding, waar het vliegend kind de manen
streelt van haar schimmelziel

reminiscent

In de behouden nesteling, van de kinderziel ,
zijn gelijkenissen door het lichaam getrokken
het eenzaam achterlatend in zijn eigen kooi
verstikkingsdoden hebben geuren aangvoerd
die het jonge hart het kwaad insleuren, zijn beproevingen
ter bezichting gesteld in de koude lege nis het ziellicht

levenslustigen overtroeven elkaar in nalatigheden,
de snerpende spelen kiezen zij uit de tranen die
namen vergeten, een opgetogen monstering van overvloeden,
die bergafwaartse bezieling, een sleep van spijtwegen

maar vertrouwen, hoe zeer het is verwond, mengt onverslagen
het palet van betekenissen, de opgebroken oude weg afgaand,
zonder te sterven, hel en hemel betrekken een
sprookje, vanachter zichzelf ontvouwende kolenlagen
reikt de eeuwige slaap tot het werend beeld van bewaarheid

opgeschrokken uit de tast, opent de levende mond de geliefde

die verstijfd en zelfverzonken zijwaarts rolt, mikado van ledematen
de stenen gedaante brekend, in het heft zijn zwaard met beenderen
hoort, en zingend in wonden wil dopen, de eer die stierf .

Vervaagd haar beeld niet de droefenis, de band met de tijd
is het schoorvoeten van de rede waarin het hoofd de huilhongert naar
de gladde kaart van groeiende zaden, de tijden leertijd zijn

zielen hovenieren het nekbrekende verwijlen
in stemmen te spreken beloftes bloeit licht, graag willen

graag huwen de prinsen de deerniswekkendste zuivere ziel
die op het voorhof van de portalen haar voet richt
op de genadeblik, en de verwarmende hoop van de gebeden
de heilzame, de kus van de geest weet te verwerven

Om mij heen zwerven honden in hun dood spoor
de kragen van hun puin sluiten mij in , tot een lichaamloze

eenheid, de goud gesmolten enkeling…

bison

Gevallen uit de bijbelse grandeur, gefrituurde
voedselschatten, de vis
gestolde hersenen, de laatste dierbare die het, te
verlegen om te sterven,
gelukt voort te stevenen in de praalgang van de tijd, in
het gelid van
van verstijvingen der geest, grommende dagen als barende
kluizen

Wie zij was de prinses in de schoot van de lemuren,
pistool dat
gevuurd gaat onverkort tot in de vergrovingen waar
sporen brandbaar
vingerhoge schittering bedrust bergafwaarts gaat het met
haar, de steen
is geen geschikte vorm voor bezieling, wondvlees krijgt
grip op het been

Wolven huiveren als zij haar ogen zien en daarin de
tekenen van dronken
van bloed, verslonden door beten in het altaar,
schuwdoof verdiept in het verbond
een tel voor de kleppers klinken aan voeten van afschuw
, verouderd de woestein
het hart, teugenvol van ingewanden de zinkende kolom
toesnellend, het ribbenhemd…

De muren slaan terug, als de belofte die ik verbrak, is
het kralensnoer erfdeel
van ik, ik die aanbeden heb wat mij in bezit heeft
genomen, Ismael wrijf je voet in het
zand, want zand ben ik geworden…gebroken op het punt
van verschijnen,
de bal in de put, net als de lijven van de pop,
gewetenloos vlinder ik naar god

rise poor

als mijn dagen zijn verzengd met de zon der koningen,
mijn dienaren zijn gestorven met de schaduwen van de tijd
dans ik als een prima donna voor jouw ogen, met lichtwerfels
gerezen op de koorts winden uit de woestijn, opent de gouden
bloem

De blik die brandt in het graf, waarin minaars zich versaagden
zich lieten ontrukken de trofee die op tenenvoeten meekwam met
het kind
Het gezalfde kind met ogen van leisteen en handen van lood en het
onthield
hoe de manenzee het zachte eewige afdreef in weeen van stilte
opsluitend, het hemelrijk

Breed spreiden de vleugelen van herinnering , de kam prijkt
daarboven.
wit zijn de vlagen die Saturnus toegemeten zijn, de groeiende
aandrang
van zijn reuzenkracht opent de tijdsader waaruit onbeschreven
lint weggolft
tot oudheden verzwolgen, spaart de krans van gameten de hoogten
van de worp

Gerekt langs de stammen van verbrijzeling zweep ik op de kernen
opdat zij splijten het gave dat uit eenheid een afgezworene
begenadigt
Het dier dat zijn botten heeft opgevouwen voor het sterven, en
een huiveren gelast
van de aarde, spaart uit het vuur het verwekkingsbeeld van de
alziel,
onuitsprekelijkheid kent mijn geur, de jouwe, noveen van
zwarte teelaarde.

ev-Subject: dream1

droom 1

badend in gewaden
kronkelende pijn onder ribben
steken voetjes onderhuids

in een violet licht
balt een vuistgrote knop
de weg door star

melk wordt gegoten
door een tunnelichaam
spaart de godin mijn kind

in zuchtend miauwen
groeft de worp
verledens van haar onnoembare

laden en lossen gelijktijdig
het golvende rood, om de kin
onscherp, gekant tegen verzet

wat maakt de dans van tempelmeisje
onherkenbaar is het symbool
vergrijp in haar handen

uit het hiernamaal is
mij deze boreling ontvallen
kruipend binnengegaan in de prachtkamer

jij bent mijn naam, het kind
tussen twee hartslagen
de eeuwig beminde kans

de voetjes breek ik af
om de vader te geven, drinken
zij allebei een lichtboodschap

het tempelmeisje zonder handen
op losse schroeven lev ende
stem van de onvervoerbare,

de volgelingen in de heirschare zijn pijn ,
gedragen door de rug, is zij precies
gwelfd als de laatste gedachte

master

jagend op het voorbije, wat bevroren is met troost,
een zonnig aangezicht toegrenzend naar de voorste
kamer, van mijn hart,
desperaat op mijn klaaglijke troon, raken hoofden,
voor het stelstel van gevoelens,
de grond, tot in de diepte van het mededogen een barst

springt in mijn aderen een staak, het uitgehongerde
zelf
dat zonder aarzeling het duister van de nacht vult met
weten
zonder binnenste , een holle naald in mijn bloed, die
veelogig
grijnst naar de invallende duisternis die mij naar
buiten keert

voor mijn onbemiddelde bruid, spaar ik het rose gom
dat ik ziedend kauw, naar het punt van onzichtbaar
gewaande planeten,
die mijn dode naspeuringen het wegen van pijn,
ontvouwen,
voor de ziel een wond, bergketen van levens aan
strakblauwe lucht

mijn toekomst is een vallend geweld, van ongewilde
schoonheid,
de vreugde van mijn stem is de baarmoeder van de dood,
die dwarsligger
verbreekt de natuurlijke weg als mogelijkheid van
zichzelf,
een noodlijdende bidt om de zonovergoten dag, wil als
toevluchtsoord,
waar in lege huizen licht is, voor het volmaakte kind,
elke engel

pig

Schrijnend valt mijn oog op de eeuwige aanbidder, zijn
schaduwen als hemelen
roepen mij, de poort van het verlangen heft zich naar het
toekomstlicht
maar voor mij staan verledens met in lichterlaaie gezongen
takken, het arme gewicht
is nijdig het tillen te veel voor de pijnen is geen moeder
tot baken, zwart is haar nevelen

wat berouwt haar wenen, nog staan de schoven op aarde, als
de vissen zwemmen
snauwen de doden met het uur van verwijlen op hun gelaat,
dat zich wiel
draait , de ode der bannelingen loftuigend op de arm
gewaagd waarvan de wind viel
Verzwegene van mijn hart, lied van mijn liefde, ik bid de
toesnellende tijd tot temmen

De ruisende bron neemt de stenen op die neergegooid waren
in de geschrokken stem
van de klacht, ving U de windselen van mijn lijk en gaf
ze gestrikt, terug lezen mijn lippen
naar profetie, de van mijn tablet ontwaakte huwelijksdag,
in het nauw is de eed want slippen
vallen als zwarte ravijnen om de as waar het wentelen
genoeg druppels beamen, varken van Jeruzalem

Ochtend baar mijn genoegzame op, mijn huid verzucht vele
levens, naar de vloek versmoltenheid
terug op de deinende as door het geborgte, kind, zetelt
een gemoed van gelukkigen
en schonken de hellingen hun bloemen, de lucht is
dezelfde ik aanwees aan Imogen
de kruiszaden voegen zich naar de hals, benamen de kuil
van mijn ogen wieg van daad bevrijd…

hara

o,Hara, ik wil mij opbinden aan U,
een licht voornemen om te bestaan laakt de dans
tot U
de dag zet mij aan het lichaam hijst, naar Uw mond
ontsnapt mijn adem

Dan heb ik buit, laat de drenkeling aan mijn
voeten walsen in het licht,
o,Hara waar moet ik Uw glorie zoeken dan binnen
het hart, dat gedronken heeft
van hetgeen mijn tranen roept over de soldaten, in
de wondgaten vallen zij zoutig
branden zij door de pijnen van het andere
slachtoffer, het logenstraffen, zwendel
van de weidige grafzichten, heropent de aarde en
maak den geest ruil in mij

De roman van de zon in omarming met de schijn die
zij verspreid,
haar voeten staan in de sneeuw te bloeden, het
spoort niet,
verzonnen en gezoogd op de winden luisteren mijn
woorden

Kus mij op de mond, deeg dat zal rijzen, en
uitdelen aan alle nichtjes,
zij verenigen tweemaal de vloed tot sneren waarmee
het gewricht
de mars loopt, luid als het ritme boven de
schreeuw , bonkend denkt

Lazarus, warm je aan de zon in de vrouw, zij is je
schaduw en de dorst
gevonden in de kentering van het oude, verlenging
van de in weerwolven
afgeleerde dronk, de tijden die afgruwen dichten
met louterend speeksel
Waarom helpt het niet dat wij bidden tot in de
kernen gespleten, zijn wij

Hara ‘O, was uw kind, het heeft geleefd en
gestorven is het, bij de pharao
die in de stenen stulp zijn hoedanigheid
verwikkelde in het rad van de tijd,
een korrel van Uw eeuwigheid bedekt vele
lichamen, maar spelen de kinderen
met het woesteinzand om, geheel ontremd over
deze eindeloze vlakte in braak
hun scanderende voeten te ontvlezen en de
schouders te ronselen tot liederen.

Hara.O het behoeft geen uitleg dat mijn plaats
aan uw voeten is, want de
eeuwen zijn mij verschenen met de onmogelijkheid
tot het oprichten van
hoofd, het bestaan slaapt in een wolk van
rekenschap schuif ik , eens tot lopen
staat, de grond over, de spade naar het
goddelijke vind de oostrichel.